17/11/20

Versimpel-stress

http://annevanhees.nl/wp-content/uploads/IMG_8077-scaled.jpg

Onze dag vandaag begon zo’n beetje met een spelletje dat bij ons thuis bekend staat als ‘proeverijtje’. Het is niet bepaald mijn lievelingsspel en vanochtend werd opnieuw duidelijk waarom. Nadat Liesje (7) – terwijl ik mijn ogen dichthield – me eerst verzocht mijn hoofd naar achteren en mijn mond open te houden en deze met een dermate hoeveelheid slagroom volspoot dat ik mijn mond nog maar amper kon sluiten om de luchtige en intens zoete substantie weg te slikken, gaf Sofie (9) mij een goed gevulde lepel met ketchup te verwerken. Hoewel ik beide keren goed raadde wat er in mijn mond was gestopt, werd ik toch niet al te blij van deze bijzondere combinatie.

‘Zo, jullie krijgen van mij beiden ook nog twee lepels om te proeven en daarna is dit spelletje klaar,’ zei ik veel aardiger dan ik me voelde tegen twee zichtbaar teleurgestelde gezichten. En zo ging het. Vervolgens ruimden we de tafel af en deden in de twee uur die volgden ieder de meeste tijd ‘ons ding’. Voor Sofie en Liesje luisterden – zoals vaker op zondagochtend – op hun slaapkamers naar een luisterboek en tekenden en maakten met alle mogelijke ingrediënten slijm.

‘Mijn ding’ is de laatste tijd ‘versimpelen’. Vandaag keek ik de huiskamer rond en zag verschillende voorwerpen staan waarvan ik dacht: daar hecht ik nauwelijks of geen waarde aan. Ik zette een aantal spullen in de berging om in de komende week naar de tweedehandswinkel te brengen en bracht een aantal andere spullen naar zolder.

Hoewel ik ook probeer te versimpelen in mijn activiteiten, ik probeer één ding tegelijk en met mijn volledige aandacht te doen en zo min mogelijk bezig te zijn met de dingen die ik erna te doen heb, raakte ik toch wat op dreef en bedacht verschillende klussen en voerden die enigszins gehaast uit. Zo waste ik af, maakte schoon, stofzuigde en hielp tussentijds ook nog Sofie met het schoonmaken van haar kamer. Misschien had mijn ‘vibe’ haar vanaf beneden weten te bereiken, maar nadat ik in de afgelopen vier weken iedere week had aangegeven dat er om haar kamer schoon te kunnen maken, echt wat minder spullen uitgestald diende te staan, had ze nu zonder aansporen zo’n beetje de helft van de collectie van haar persoonlijke museum opgeborgen.

Tegen het einde van de ochtend begon ik me te storen aan het spoor van rommel dat Sofie en Liesje al hadden achtergelaten en bij iedere nieuwe activiteit weer achterlieten. Voordat we even voor lunchtijd naar mijn ouders vertrokken, vroeg ik Sofie de op de eettafel achtergebleven verpakkingsmaterialen op te ruimen. Ze liep vanuit de berging de woonkamer in en liet een spoor van zand achter dat loskwam van de schoenen die ze zojuist had aangetrokken. Mopperend pakte ik opnieuw de stofzuiger en Sofie droop af, terug naar de berging.

Toen ik de stofzuiger had teruggezet en zelf ook via de berging aan de voorkant van ons huis naar buiten liep, bromde ik door over dat de tafel nog steeds bezaaid was met rommel en klaagde dat ik weer degene was die eraan zou moeten denken als we straks terug thuis kwamen. Terwijl we wegreden werd mijn relaas onderbroken door een ‘nu is het wel genoeg, mama!’ van Sofie. Ik stopte direct, beseffende dat ze gelijk had.

Mijn irritatie pakte ik echter weer op toen we in de loop van de middag weer thuis arriveerden. Ik denk dat ik ‘m wat minder vaak en minder duidelijk uitte dan aan het einde van de ochtend. Ik deed daarvoor in ieder geval mijn best. Ik stoorde me evenzogoed enorm aan de chaos die Sofie en Liesje zowel op materieel vlak, als in geluid en opstootjes die ze hadden creëerden. Ik was net zo lekker op gang geraakt met ‘versimpelen’ en wilde, nee had het gevoel dat ik mijn omgeving en mijn dag simpel móest houden.

Tegen het einde van de middag pakte ik mijn laptop en vluchtte naar mijn (overzichtelijke) bureau op mijn slaapkamer. Een half uur later en na de vraag ‘mama, kom je weer naar beneden?’, liep ik zonder rondkijken via de kortste weg door de huiskamer, naar de keuken om daar aan het avondeten te beginnen. Hierop trachtte ik me volledig te concentreren. Met de nadruk op ‘trachtte’.

Onze dag eindigde ook met een spelletje. Tijdens het avondeten bespraken Sofie en Liesje welke kringspellen zoal bij hen in de klas werden gespeeld. Ik herinnerde me het ‘krantenmeppertje’ waarover Sofie het had nog van toen ikzelf in groep 6 zat. Vervolgens kwam er een meer recente, maar desondanks meer vage herinnering terug aan een spel dat ik met de kinderen van groep 8 speelde toen ik in 2002 hun juf was.

Het was een kringspel waarbij ieder kind een dierennaam moest aannemen en waarbij een extra stoel in de kring stond, die steeds moest worden opgevuld door een kind waarvan de dierennaam even daarvoor was genoemd. Waarschijnlijk heb je nog geen beeld van het doel van het spel. Dat had ik vanavond ook niet, maar ik dacht dat dat me misschien weer zou invallen als ik het kringspel opnieuw speelde.

Gelukkig waren daar direct twee enthousiaste vrijwilligers om mijn geheugen te helpen opfrissen: Sofie en Liesje verplaatsten vlotjes vier stoelen van de eettafel naar de ‘kring’. Liesje wilde een dolfijn zijn, Sofie een cheeta en ik een kat. We konden beginnen en ik herinnerde me op dat moment dat het kind dat links van de lege plek zat, zijn of haar rechterhand op de stoel moest leggen en vlug een dierennaam van één van de anderen moest noemen. Daarmee was echt alles verteld wat ik me nog van het spel herinnerde. Ik zag twee paar glunderende en verwachtingsvolle ogen de kring rondkijken. Blijkbaar werd het Liesje duidelijk dat zij, gezien de positie van de vrije stoel, moest beginnen. Ze mepte op de stoel naast haar, dacht even na en zei toen ‘cheeta’. Sofie keek mij aan, ik knikte en stond vervolgens op om op de stoel waarop Liesjes hand nog lag, plaats te nemen. Ik legde mijn rechterhand op de vrijgekomen stoel en zei ‘dolfijn’, waarop Liesje veel sneller en zonder twijfel, één plaatsje naar links schoof.

Tijdens het spelen ontstond het grapje om dezelfde persoon drie, vier, vijf keer achter elkaar te laten verplaatsen, waardoor het leek of diegene rond butste in onze minikring. Ook speelden we het spel zonder de dierennaam te noemen, maar door alleen het geluid van het dier te maken. Of, nou ja, we probeerden dat.

Het doel ontdekten we niet. We speelden gewoon. Er was geen stress. Het was simpel.

P.s.: Op maandagochtend hadden we na het ontbijt en voor vertrek naar school nog wat tijd en speelden het dierennamen-spel opnieuw. Nadat de eerste twee namen waren genoemd, prevelde ik: ‘er stond ook altijd een kind in het midden…’. Plots wist ik het doel van het spel: het kind dat in het midden staat moet proberen op de lege stoel plaats te nemen vóórdat er een nieuwe dierennaam wordt genoemd. Als dat lukt wordt het kind dat links van de lege plek zit (en er dus niet in is geslaagd om op tijd een dierennaam te noemen), het kind dat in het midden staat.

Ik probeerde dit uit te leggen aan Sofie en Liesje. Ze leken het te begrijpen, want Sofie stond al snel in het midden. Het spel stokte echter, want met nog maar twee mensen in de kring bleek het niet langer uitvoerbaar. Sofie ging gauw weer zitten, ze wilde dóór. En weer speelden we ons simpele, doelloze mini-kringspel.

“Ik had het gevoel dat ik mijn omgeving en mijn dag simpel móést houden”

Reageren op dit verhaal?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *