Uiteengaan

3 november 2021

In december 2020 besloot ik om minder bij hem thuis en vaker in mijn eigen huis te zijn. Met betraande ogen haalde ik de kledingkast leeg die ik een jaar eerder in gebruik had genomen en pakte mijn boeken en nog wat andere spullen die bij hem lagen in, in grote boodschappen tassen. Hij tilden deze in de kofferbak van mijn auto en reed ons naar mijn huis. Daar legde ik mijn kleding met aandachtig terug in mijn eigen kledingkast en zette ik mijn boeken zorgvuldig terug in mijn boekenkast. Ik settelde me opnieuw in mijn eigen huis.

In januari van dit jaar kregen we beiden corona. Ik als eerste. Hij zou die zondagmiddag naar mijn huis komen, waar ik op dat moment samen met mijn dochters was, maar besloot dit niet te doen, nadat ik aan het begin van de middag de mail met de positieve testuitslag ontving en hem hierover belde.

We zagen elkaar twaalf dagen, met twee onderbrekingen van een half uur, niet. We belden wel om van alles te bespreken en ook de dillema’s binnen onze relatie. Op een avond werd de verbinding verbroken. Zo ontdekten we dat telecombedrijven zodoende voorkomen dat een verbinding langer dan twee uur ongebruikt openblijft. We belden opnieuw en spraken elkaar nog eens bijna twee uur.

In februari van dit jaar lastte we een pauzeweek in. We zagen elkaar een week niet om beiden los van elkaar te bezinnen op de twee dilemma’s waarop onze relatie vast leek te lopen, te weten: 1) Hoe verenigen we zijn leven als midden twintiger met mijn (gezins)leven als eind dertiger? En 2) Hoe dealen we met de verschillende opvatting die we hebben over hoe we ons willen verhouden tot een afwijzende omgeving?

Dat ik meer mijn eigen leven diende te gaan leiden en hem zijn eigen leven en proces meer moest laten, dat zag ik wel in die week, maar ik had geen idee hoe. In praktische zin kwam ik met de pauzeweek dus geen stap verder.

Op woensdag 17 maart reed ik, nadat ik mijn stem voor de landelijke verkiezingen had uitgebracht, met een bakje soep, maar zonder logeerspullen naar zijn huis. Daar warmde ik de soep op. Deze aten we knus naast elkaar zittend op barkrukken aan zijn verhoogde eettafel. We kletsten wat over wat ons bezighield en lachten om wat we ‘domme grapjes’ waren gaan noemen vanaf dat we ontdekten dat we beiden graag de competitie aangingen in het verkondigen van onzinnigheid.

Na de soep ploften we neer op de bank. We waren besluiteloos als het ging om wat we verder nog zouden eten die avond. Wilden we iets bestellen of zouden we nog naar de supermarkt gaan? Eén van de twee moest gebeuren, er was nauwelijks iets in huis.

Die avond kwam het niet tot een besluit hierover. Wel namen we een ander besluit.

Eenmaal zittend op de bank bracht ik ons gesprek op dat waar het in mijn ogen over moest gaan: dat we vastzaten. Veel hoefde ik daar niet over te zeggen. We zagen beiden dat we in de afgelopen maanden veel tijd, energie en aandacht hadden gestoken in het proberen los te raken, een nieuwe weg in te slaan.

Nu zagen we geen andere weg meer dan bij elkaar weggaan. Juist ook omdat we recht wilden blijven doen aan de liefde die we voor elkaar voelden. We wilden deze niet langer bezoedelen met de moeilijkheden waarvan we intussen doorhadden dat deze voortkwamen uit onze ego’s, maar waarvan het ons niet lukten om hierin ware verandering te brengen.

Toen was daar de stilte.

We hielden elkaars hand vast. We huilden samen. Minuten gingen voorbij.

‘Ik ben jou zó dankbaar,’ doorbrak ik de met gesnik gevulde stilte. ‘Voor al jouw waardering voor mij, jouw vertrouwen in mij. Dat je bent wie je bent en dat je mijn lief was.’ Veel meer woorden van dankbaarheid volgden. Over en weer. Over wat de ander en wij elkaar hadden gebracht in de twee jaar dat we samen waren geweest.

Ineens was daar de avondklok. Ik kon niet langer terug naar mijn eigen huis. ‘Wat nu?’ vroeg ik terwijl ik hem wat hulpeloos aankeek. ‘Mijn gevoelens voor jou zijn in de afgelopen drie kwartier niet veranderd en wij zijn ook geen andere mensen geworden,’ zei mijn ex-lief, ‘Ik hou nog steeds evenveel van je.’

We brachten de nacht samen door in het huis, dat een tijd lang ook had gevoeld als mijn tweede thuis. We sliepen samen in het bed waarin we iedere nacht die we er samen doorbrachten, de hele nacht lang intens verstrengeld lagen. We probeerden steeds zó dicht tegen elkaar te liggen, dat het fysiek gezien haast onmogelijk was. Pas na een jaar samenzijn ontdekte ik dat dat de oorzaak was van de rugpijn die ik nooit eerder in mijn leven had gehad. Het was als een dans die we samen maakten, waarbij de één als vanzelf mee bewoog in de draaiing die de ander maakte.

En we huilden.

Ik huilde ook om het verdriet dat nog zou komen. Om de pijn die ik nog zou voelen. Twee dagen later kon ik deze woorden geven: ik voelde me geamputeerd. We waren uiteengegaan in de letterlijke betekenis van het woord: één geheel was niet langer heel.

“We wilden onze liefde niet langer bezoedelen”

Reageren op dit verhaal?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *