Sluiproute

5 oktober 2021

Dat hij me begin april 2019 na een schrijfvakantie in Spanje van het vliegveld ophaalde en daarbij hij aangaf dat hij het vanzelfsprekend vond dat hij dat deed, wekte bij mij de indruk dat we tegen het hebben van een relatie aan schurkte. Ook de hoeveelheid tijd die we samen spendeerden, de intimiteit die er in verschillende opzichten was en bovenal nog de groeiende maar ook al hele diepgaande connectie, droegen bij aan deze indruk.

Zoals ik in mijn vorige verhaal beschreef voelde ik, wist ik dat het voor mij in deze fase nodig was om het contact dat we hadden, een relatie te gaan noemen. Dit erkende ik onvoldoende naar hem. Ik koos voor een sluiproute.

In mei 2019 stelde ik hem voor aan mijn kinderen. Ik wilde graag dat hij ook tijdens de vier nachten dat mijn kinderen bij mij waren, bij mij kon blijven slapen. Het was daarvoor weleens voorgekomen dat ik hem – nadat mijn oudste dochter om zes uur ’s ochtends naar de badkamer was geschuifeld om te gaan plassen – gauw stiekem naar buiten loodste. Dat soort puberale heisa was grappig, maar ik had het er ook snel mee gehad.

Ik wilde meer balans in mijn week. Tot dan toe bestond een gemiddelde week uit drie-en-en-halve dag plus drie nachten van heel regelmatig samenzijn, afgewisseld met vier nachten niet samen slapen en slechts wat vluchtige contactmomenten overdag, veelal op kantoor. Ik hoopte dat doordat hij vertrouwd zou raken met mijn dochters en mijn leven als hun moeder, het contact tussen hem en mij evenwichtiger over de week verdeeld zou raken. Ik stelde hem ook voor aan mijn ouders en daarna langzaamaan aan steeds meer mensen die ik beschouwde als mijn ‘inner circle’. Andersom kreeg ik nog nauwelijks toegang tot zijn inner circle.

Vroeg op een avond begin juli smeten we een tweepersoons pop up tentje op de kampeerplaats die een boer ons op zijn camping toewees. We trokken haastig feestkleding aan en spoedden ons naar de locatie waar het bruiloftsfeest van een neef van mij plaatsvond.

Lopend. Zo’n twee kilometer.

Op de route erheen concludeerden we dat we inmiddels toch wel echt in een relatie verkeerden en dat we dat eigenlijk ook al een tijdje deden. We werden het alleen niet eens over de ‘startdatum’. Hij gaf aan dat hij vanaf zijn verjaardag – eind mei – had ervaren dat hij zich vanaf toen dermate met mij verbonden voelde, dat hij ons samenzijn ervoer als een relatie. Voor mij voelde nog altijd de tweede helft van april als de periode waarin onze relatie begon. Onze verschillende kijk leidde geenszins tot onenigheid. We stelden gewoonweg vast dat we daar anders tegenaan keken. Lekker zat het me echter niet.

We arriveerden op de feestlocatie en konden op het nippertje via een zijdeur aansluiten bij de menigte die al een ‘lang zullen ze leven’ had ingezet. Direct daarna bestelden we bier aan de bar. Het was een warme, zwoele avond en door het gehaast en de gehaaste wandeling hadden we het nog warmer.

Die avond dronken we (weer eens) te veel, dansten uitbundig, onderbraken het feest kortstondig bezoek aan een nabij- maar voldoende verafgelegen schuur en sneakten ongemerkt (denk ik, hoop ik) weer terug in het feestgedruis.

In de maanden die volgden verliep het integratieproces langzaam. Ik ervoer dat hij daarin op de rem stond. Wat ik snapte. Ik begreep heel goed dat je als 24-jarige terughoudend bent in het meenemen van je 37-jarige vriendin met twee kinderen naar de vriendengroep die je nog kent van de middelbare school. En nu was het niet per se mijn wens om een avond met hen door te brengen, maar ik wilde wel graag zijn leven leren kennen om me zodoende steeds meer met hem te verbinden.

En hoewel ik nu vrij uitgebreid dit facet van ons samenzijn verhaal, had dit destijds nauwelijks mijn aandacht. Ik had mijn aandacht heel ergens anders liggen.

Mijn aandacht lag bij hem.

Ik kan me niet herinneren dat ik ooit eerder in mijn leven zó compleet verliefd was. Dat ik iemand zowel gewoonweg een heel leuk en fijn persoon vond én razendknap én dat ik me ook enorm fijn voelde bij degene. We hadden het – evenals op het trouwfeest van mijn neef – nagenoeg altijd gezellig samen. We lachten veel en voelden ons op ons gemak bij elkaar.

We zagen elkaar zo vaak als mogelijk. Beleefden lange avonden samen. In juni hadden we voor het eerst wild gekampeerd. Toen in België, net over de grens bij Zuid-Limburg. Later in de zomer deden we dat nog eens, nu via een kanotocht op een verlaten eilandje in de Biesbos. In september trokken we samen ruim een week door Frankrijk, barbecueden op het strand aan de Middellandse zee. We dronken veel whisky en wijn, aten waar we zin in hadden en wanneer we dat hadden, filosofeerden over het leven en luisterden muziek. Terwijl ik dit schrijf luister ik opnieuw Fakear, één van een eindeloze rij artiesten waarmee hij me liet kennismaken.

De consequenties van het niet erkennen van de grens die ik in de tweede helft van april zo duidelijk voelde, kon ik toen geenszins overzien. De gevolgen waren er wel degelijk. Ik sloeg onbewust een zijweg af, die me steeds verder bij een relatie, een samenlevingsvorm die bij me paste vandaan bracht. Ik zag dit niet, maar het voelde niet goed en ik probeerde via een sluiproute weer terug op de hoofdweg te komen. De sluiproute die inhield dat ik hem ertoe probeerde te bewegen om sneller te integreren dan hij wilde of kon. Onbewust maar wel heel graag wilde ik naar de hoofdweg waarop ik zowel verbonden als mezelf kon zijn.

Met de kennis van nu zou ik toen veel meer rust en geduld hebben gehad met onze relatie. Zou ik onze relatie zich veel meer hebben laten ontvouwen, waarbij ik wel steeds keuzes voor mezelf zou hebben gemaakt die mij als individu recht deden. Dit zou dus hebben betekend dat ik ons samenzijn eerder zou hebben teruggebracht op een niveau van verbinding die klopte met hoe onze relatie zich ook in mijn en zijn omgeving ontwikkelde. Of langer op een zeker niveau hebben gehouden.

Het voelde toen niet als een optie om hiervoor te kiezen. Het is heel goed mogelijk dat ik niet eens notie had van deze optie.

Niet alleen de verliefdheid dwong me tot haast, maar ook een moeilijk te duiden drang tot ‘inhalen’ die ook hij ervoer, maakten dat we er beiden op gericht waren om onze levens als individuen zo snel mogelijk te integreren. Mijn leven bestond daardoor gevoelsmatig uit twee levens: één als moeder en één als vriendin. Daarnaast was er in mijn beleving ook nog verdeeldheid in zijn leven die bij mij voor verwarring zorgde: hij leefde vrij nabij met mij, maar zijn omgeving kende mij niet of nauwelijks.

En dan vond er ook nog een proces plaats dat alles nóg meer verwarrend maakte voor me. Tegelijkertijd dat ik heel langzaam en lang ongemerkt, steeds verder verwijderd raakte van een (samen)leven dat bij mij paste, kwam ik door het innige contact met hem juist ook dichterbij mezelf. Dat deel ik graag met in mijn volgende verhaal.

Tot gauw!

“Ik wilde naar de hoofdweg waarop ik zowel verbonden als mezelf kon zijn”

Reageren op dit verhaal?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *