Mondkapjes en kamerplanten. Onzin?

2 december 2020

Net zo goed als dat ik me nooit mengde in de zwartepieten-discussie, laat ik ook de mondkapjes-discussie aan me voorbij gaan. Ik heb er simpelweg geen mening over. Wel is er een licht dat ik erop wil laten schijnen, een perspectief dat ik tot nu toe niet tegenkwam tussen alle voors en tegens op social media. Voor dit perspectief liet ik mijn tijdlijn voor wat ie was en begaf ik me tussen mensen. Mensen in openbare ruimtes. Mensen met mondkapjes op.

De eerste keer dat ik een mondkapje droeg was afgelopen zomer in Frankrijk. Het was daar toen al verplicht en iedereen droeg er één, maar toch en of misschien juist daarom voelde ik me als toen ik voor het eerst naar de sauna ging. Hoewel ogenschijnlijk een omgekeerd situatie – ik droeg met het mondkapje op juist meer kleding dan normaal in plaats van dat ik niets aan had in het bijzijn van zoveel anderen – is het in beide gevallen een verandering waarbij ik me op een tot dan toe niet vertrouwde wijze conformeerde.

Onwennig keek ik de Franse supermarkt rond en bepaalde of er mensen naar me keken, wat niet zo was. Ongemakkelijk mompelde ik door het stof iets naar mijn lief en keek haast schichtig of hij me had verstaan. Eenmaal weer buiten maakte ik vlug de elastiekjes rond mijn oren los en haalde opgelucht adem. Niet zozeer om de verminderde zuurstof, maar omdat het afdoen van het mondkapje me terugbracht bij de status quo, de omstandigheid die ik tot even daarvoor gewend was.

Ook tijdens mijn eerste bezoek aan de sauna voelde ik me onwennig, keek ik schichtig en was ik opgelucht toen ik mijn badjas weer aan had, dat ervoor zorgde dat de status quo grotendeels werd hersteld. Toch wende het naakt zijn tussen allemaal naakte mensen snel. Na een paar uur zat ik er op mijn gemak bij en begreep ik de etiquette van wanneer je wel en geen badjas droeg en wanneer je een handdoek omsloeg en deze af liet. Ik had ook al gauw door dat er een heleboel sociale conventies die buiten de sauna golden, bleven gelden, bijvoorbeeld dat je mensen even goed in hun ogen aankeek als je naar hen luisterde. 

Ik ervoer dat het dragen van een mondkapje, nu ik dat alweer zo’n twee maanden doe, ook snel wende. Ik heb me ook hierbij de etiquette moeten eigen maken, maar ik ontdekte al snel dat er ook met het dragen van een mondkapje, vele sociale conventies gewoon overeind bleven. Nog steeds en met evenveel vriendelijkheid en plezier begroet ik bekenden en maak ik een praatje met hen in de buurtsupermarkt. Daarnaast en bovenal is er een neveneffect dat ik niet voorzag en me positief verraste: het oogcontact is veel intenser, niet alleen met bekenden, maar zeker ook met vreemden. Ik maak bewuster en aandachtiger contact met mijn ogen en ga zorgvuldiger in de ogen van de ander na of ik word verstaan en of ik de ander goed begrijp. 

We zijn collectief overgestapt naar een situatie die ver verwijderd ligt van de tot voor kort geldende norm. Laten we dit fenomeen voor een moment loskoppelen van de discussie over of het gebruik van mondkapjes in openbare ruimtes een zinvolle maatregel is om de pandemie een halt toe te roepen. Als ik namelijk vanuit sociaal oogpunt naar dit fenomeen kijk, dan neem ik iets verrassends waar. Als ik in mijn omgeving rondvraag naar de motivatie om een mondkapje te dragen, dan gaat het eigenlijk nooit expliciet over de effectiviteit ervan, maar krijg ik antwoorden als: ‘Uit solidariteit naar mijn medemensen.’ Of: ‘Uit respect voor de mensen die in de gezondheidszorg werken.’ 

Wij mensen hebben emotionele basisbehoeftes en één ervan is om ons te verbinden met anderen.  Met het aanbevelen en sinds eergisteren verplichten van het dragen mondkapjes in openbare ruimtes, hebben we collectief een middel in handen gekregen – of in feite in ons gezicht, voor onze mond – om ons met elkaar te verbinden. Om een gevoel van saamhorigheid te ervaren. 

Het dragen van een mondkapje kan gewoonweg één van de ontzettend vele dingen zijn die jij en ik dagelijks doen, maar die, als je er echt goed over nadenkt, niet of nauwelijks effectief blijken. Neem nu het zorgen voor een frisse geur op het toilet. Nodig? Nauwelijks, maar wel gastvrij naar je bezoek. Planten houden in huis. Oogst je daar iets van? Bijna nooit. Boodschappen opbergen in keukenkastjes? Je kunt het meeste ervan beter op je aanrecht laten staan. De dagen erna gebruik je het en er blijft heus wel een plekje vrij om je snijplank neer te leggen.

Als je vanuit het perspectief van effectiviteit een dag lang je eigen handelingen observeert, dan zal het je verbazen hoeveel je doet dat niet bijdraagt aan het beoogde doel. Hoeveel handelingen in werkelijkheid een totaal of grotendeels andere bijdrage hebben, dan gedacht of (ooit) bedoeld. 

Bij mij heeft alleen al het maken van de mondkapjes grotendeels een ander effect gesorteerd, dan ik kon voorzien. Ik dacht in eerste instantie dat ik ze zou maken zodat ik ze kon dragen, weliswaar met meer plezier dan dat ik zou doen als ik ze zou kopen. Ik kon niet voorzien dat het me zoveel voldoening zou brengen om ze uit mijn handen te laten komen, dat er nieuwe ideeën voor naaiprojecten zouden ontstaan, dat ik herinneringen bij mezelf en bij anderen zou ophalen door de oude kleding die ik gebruikte voor de mondkapjes en dat ik zulke gezellige momenten zou hebben met de mensen waarvoor ik een mondkapje maakte.

Handelingen die niet effectief zijn, zijn niet per definitie zinloos. En misschien gaan we – zodra de dag aanbreekt dat de mondkapjesplicht wordt opgeheven – de verbindende werking ervan nog missen.

“Handelingen die niet effectief zijn, zijn niet per definitie zinloos.”

Reageren op dit verhaal?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *