Herontdekking

9 oktober 2021

‘Je hebt elfenhaar,’ onderbrak hij mijn monoloog over de ontevredenheid die ik lange tijd over de dikte van mijn haar (of moet ik schrijven: de dunte van mijn haar?) had gekend. De laatste jaren was ik er al anders in gaan staan; er was meer rust en aanvaarding. En toch, de verandering in mijn hormoonhuishouding door mijn zwangerschappen hadden mijn haar bepaald geen goed gedaan. ‘Nee maar echt,’ benadrukte hij even later nogmaals, ‘je hebt haar zoals elfen dat hebben en dat vind ik juist heel mooi.’

De kracht van verhalen, ook en juist die je jezelf vertelt, is gigantisch. Sinds hij dit tegen me zei, heb ik niet langer dun, sluik en futloos haar.

Ik heb elfenhaar.

En niet alleen op haarvlak deed ik een herontdekking tijdens onze relatie. Sommige stukken van mezelf kwamen onder dikke lagen stof vandaan. Met name op ‘zijnsvlak’, zoals ik dat zelf ben gaan noemen. Degene die je bent of dat wat je bent, ook als je niets doet en niet praat.

Ik kon met hem heerlijk introvert en stil zijn. Ik kon gewoonweg zijn, omdat hij ook zo was en is. De stilte als we samen waren was nooit ongemakkelijk. Tegelijkertijd werd die stilte afgewisseld met diepgaande gesprekken, vaak over mijn lievelingsonderwerp; menselijke ontwikkeling. De stilte werd ook afgewisseld veel onzinnig, grappige en nutteloze prietpraat waar we beiden en meestal tegelijkertijd enorm om moesten lachen.

En zelfs in het ouderschap herontdekte ik mezelf.

Voordat ik hem leerde kennen, zag ik altijd wel iets dat ik anders of beter moest doen als moeder. De zomer voordat ik hem leerde kennen hadden mijn kinderen nog in het water van een meertje op mijn ouders gestaan, om vervolgens in het water te springen. Dit deed ik niet omdat ik dat nou zo leuk vond. Ik vond dat ik dat moest doen, dat ik iets speelser en drukker moest zijn evenals hun vader met ADHD, die mijn dochters tien dagen moesten missen.

Het was hij die zag en benoemde wat en hoeveel ik wél deed voor mijn kinderen. Vooral ook hielp hij me zien dat ik mijn kinderen goede voorwaarden en omstandigheden en een veilig en warm nest bood en daarmee het meest voorname wat opgroeiende kinderen nodig hebben. Het werd me duidelijk dat alles wat ik nog meer bood, fijne extra’s waren, maar dat ik mijn moederrol goed genoeg vervulde.

Enerzijds ging ik mee in het leven van een twintiger, voelde ik mezelf jonger en speelser voelde, was mijn leven avontuurlijker met hem in mijn bestaan, anderzijds kwam ik dichterbij het leven dat paste bij mij als eind dertiger, maar bovenal nog een leven dat gewoonweg bij mij paste. Heel tegenstrijdig was dit met dat ik tegelijkertijd mijn leven aanpaste uit angst mijn relatie te verliezen.

En toen waren daar de corona-maatregelen in maart 2020. Ik vond het heerlijk. Samen zaten we urenlang naast elkaar te werken in de werkkamer die hij aan het begin van de lockdown voor ons beiden bij hem thuis had ingericht. Ik besloot ook om minder te gaan werken, het rustiger aan te doen. ’s Avonds kookte ik vaak uitgebreid, soms deden kookten we samen. We gingen vaak pas laat naar bed. De buitenwereld verdween naar de achtergrond en bleef daar lange tijd. Het was alsof we samen onder een stolp leefden.

Ik mistte hem in deze periode ook. Ik mistte hem gruwelijk zodra ik zonder hem was, wat meestal was op de momenten dat ik met mijn kinderen samen was. Hij was gemiddeld twee van de vier avonden dat mijn dochters bij mij waren, ook bij mij thuis. Meestal at hij één van die twee avonden samen met ons. Dat voelde voor mij uit balans gezien het leven dat we in de andere helft van de week samen leefden.

Ik pakte iedere woensdag mijn tas in en vertrok naar zijn huis, hoewel de meeste spullen die ik nodig had daar al stonden. Op zaterdag even voor 17.00 uur – soms met piepende banden – arriveerde ik weer thuis om mijn kinderen binnen te laten in het huis dat ik op woensdag halsoverkop had verlaten.

Mijn dochters en ik maakten op die momenten eenzelfde proces door. We moesten alle drie weer wennen aan het huis. Het huis moest figuurlijk, maar vaak ook letterlijk weer worden opgewarmd. Dat voelde niet juist, maar het voelde ook elk week weer vervelend om hem en zijn huis te verlaten. En hoewel ik me bewust was van deze tegenstrijdige gevoelens en we deze ook bespraken, onderzocht ik ze verder niet. Ik had denk ik ook niet werkelijk door dat het goed zou zijn dit wel te doen.

In mijn verhaal Ervoor gáán, beschreef ik de eerste stappen die ik zette in één van de twee fuiken waarop onze relatie uiteindelijk stuk liep. Dat deze fuik überhaupt bestond, werd me pas aan het einde van onze relatie duidelijk. Hoe ik erin gelopen was, pas maanden daarna. Deze fuik – ofwel de reden waarom onze relatie mis liep – was dat onze levens onvoldoende matchten. Dat we door onze verschillende levensfase en omstandigheden, beiden binnen onze relatie onvoldoende het leven konden leven dat pasten. Het leek steeds van één ons een te grote aanpassing te vragen.

Hoe kwam het dat ik niet zag dat het gewoonweg mogelijk en goed zou zijn geweest dat ik naast ons leven samen ook mijn eigen leven leefde, ook als mijn dochters niet bij mij waren?

Ik zou hier opnieuw het antwoord ‘angst’ kunnen geven. Verlatingsangst om preciezer te zijn. Maar in de loop van het halfjaar na de breuk verdiepte mijn inzicht zich en wist ik op een zeker moment: het was niet eens zozeer de angst.

Het was het ontbreken van moed.

“Hoewel ik mezelf door onze relatie forceerde tot aanpassing, herontdekte ik mezelf ook in het contact met hem.”

Reageren op dit verhaal?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *