Boek

8 november 2021

Het is eind juli als ik in het meer zwem waaraan de camping ligt waar ik deze zomer twee weken samen met mijn dochters verblijf. Het is de derde zomer die we hier spenderen. Nadat we twee jaar geleden deze camping ontdekten, concludeerden we tot twee keer toe dat we geen fijnere plek konden bedenken om heen te gaan. En dus keerden we ernaar terug, ook dit jaar.

Het water is fris en schoon. Ik zwem een paar honderd meter en mijmer intussen over de plek waar en het huis waarin ik zou willen wonen. Over enige tijd wil ik graag buitenaf gaan wonen en de camping en het meer bieden een inspirerende setting om me hier beelden bij te vormen. Ik denk na over het aantal slaapkamers dat wenselijk is voor ons en over welke functie ik de huiskamer wil geven. Ik beeld me in dat er muziekinstrumenten staan, veel meer instrumenten dan de piano, gitaar en ukelele die ik bezit.

Plots besef ik dat de muziekinstrumenten die ik me inbeeld, zijn instrumenten zijn. Direct zie ik ook dat ik met veel meer beelden die ik me in de afgelopen minuten vormde, onbewust rekening hield met zijn mogelijke behoeftes en wensen als het om wonen gaat en meer nog met zijn vermoedelijke behoeftes en wensen zodra hij in één huis leeft met ook mijn dochters.

‘Dit is belachelijk…’ stamel ik hardop met mijn mond maar net boven het wateroppervlak. Wat gebeurt hier? Denk ik er meteen achteraan en kijk rond alsof er iemand in het water is die we me antwoord kan geven. Niet alleen zijn er enkel wat spelende kinderen vlakbij de waterkant verderop, ook besef ik dat ik zelf heb uit te zoeken waarom ik onbewust, maar mogelijk ook bewust nog steeds leef met het idee dat we weer samen zullen komen.

In de voorbij maand – nadat we samen een bank naar mijn kantoor brachten – hielden we contact. Tijdens ons gesprek een maand eerder dacht ik te zien dat hij in zwaar weer verkeerde. Ik maakte me zorgen. Nadien wilde ik hem wat in de gaten houden. Zo nu en dan polste ik hoe het ging. Daarnaast weet ik uit eigen ervaring, maar veel vaker nog zag ik het binnen mijn coaching praktijk, dat een periode waarin iemand vastloopt een kans is om tot verandering.

Een paar dagen voordat ik zojuist het water instapte, spraken we elkaar telefonisch. Ik vond het geen prettig gesprek. Ik merkte dat ik gefrustreerd raakte naar aanleiding van wat hij vertelde over zijn persoonlijk ontwikkelingsproces. Zijn verhaal botste met wat ik meende dat wenselijk was, dat helpend voor hem zou zijn en wat eventueel ook ruimte zou kunnen creëren bij hem voor ons.

Na afloop van het gesprek liet ik niets meer van me horen en ik hoorde ook niets meer van hem. Ik wilde me niet voelen zoals ik deed tijdens ons gesprek en ook niet nu ik aan hem en zijn verhaal denk. Al verder zwemmend besef ik dat ik me ook niet langer beperkt wil voelen door de mogelijkheid dat we weer samen zouden komen. Dat ik over zoiets als mijn toekomstige huis in alle vrijheid en vanuit het perspectief van mijn dochters en mij wil fantaseren. Dat ik daarbij geen rekening wil houden met hem.

Ik realiseer me tegelijkertijd en opnieuw dat ons boek niet uit is. De afgelopen maanden gebruikte ik voor mezelf en om aan anderen uit te leggen hoe ik me gevoelsmatig tot hem verhield, regelmatig voor onze liefdesrelatie de analogie van een boek. Een niet uitgelezen boek. Een boek waar we ergens in het midden plotseling gestopt waren met lezen. En dat nu open, ongebruikt en doelloos op de bank ligt, maar dat wel dagelijks meerdere keren in mijn vizier verschijnt.

Wat kan ik hiermee? Wat kan ik met enerzijds het verlangen om verder te gaan en anderzijds de beleving dat de liefdesrelatie met hem niet is afgerond?

En terwijl ik deze vragen laat bezinken en rustig verder zwem, zie ik voor me dat ik het boek omdraai. Ik leg het op z’n kop bovenop op de rugleuning van de bank. Ja, denk ik, het mag er nog zijn, maar ik wil er niet langer steeds in kunnen kijken, kunnen zien waar we waren gebleven.

Ik voel met mijn voeten of ik voldoende dichtbij de kant ben om te kunnen staan. Mijn tenen raken het losse zand. Voorzichtig zet ik eerst mijn ene en dan mijn andere voet neer. Langzaam – zeker de eerste stappen voelen zwaar – loop ik het meer uit. Wanneer ik eenmaal de waterkant heb bereikt, draai ik me nog even om. Hoewel het geen uitzonderlijk warme dag is, voel ik hoe de zon mijn huid verwarmt.

Ik sluit mijn ogen zodat ik het gevoel van de warmte op mijn huid nog beter tot me kan laten doordringen. En terwijl ik daar zo sta verheug ik me op de overige tien dagen van de vakantie, omdat ik nu al het verschil in innerlijk rust en daarmee met ruimte om te ervaren wat zich in het ‘nu’ voordoet bemerk.

“En terwijl ik verder zwem, zie ik voor me dat ik het boek omdraai”

Reageren op dit verhaal?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *