Rust: moeilijk én winstgevend

Rust is moeilijk. Als dat niet zo was, had ik de sabbatical die ik sinds twee maanden houd, al veel eerder ingelast. Ook zouden we met z’n allen veel minder hard en minder lang werken. Voor de voorziening van onze behoeftes en veel van onze wensen, is hard en lang werken voor de velen van ons al lang niet meer een noodzaak.

Rust is moeilijk omdat het een verantwoordelijkheid met zich meebrengt, waarvan we gevrijwaard zijn zolang we bezig zijn. Deze verantwoordelijkheid leidt er vaak toe dat we het idee hebben bezig te moeten blijven als we rust nemen. Ook hebben we daardoor het idee dat we weer aan de slag moeten als we enige tijd in een rusttoestand verkeren. Of – en dan wordt ie helemaal mooi – we ‘kei hard moeten ontspannen’ zodra we rust nemen. Ik doel op de verantwoordelijkheid voor ons eigen welbevinden en ons eigen gemoed.

Rust is risicovol. Wanneer je rust, ben je niet actief bezig om risico’s te verkleinen. In het tijdperk waarin wij leven lopen we niet het risico dat er plotseling een wild dier voor ons staat als we even niet opletten, maar is er wel steeds het risico op tekort, met name op een tekort aan geld. De meeste mensen verdienen, als ze niet werken, geen geld. Zolang we dus werken, verdienen we geld en verkleinen we daarmee het risico op tekort.

Maar er is iets dat rust nog moeilijker maakt, dan de eigen verantwoordelijkheid voor ons welbevinden en het grotere risico op tekort. Rust is confronterend. Rust opent de mogelijkheid om te zien wat je werkelijk wil en wat oprecht belangrijk voor je is. Als je dat ziet, besef je ook dat je daaraan tot dan toe voorbij raasde.   

En toch, telkens wanneer ik rust werkelijk toeliet in mijn leven – door de neiging om bezig te blijven voor korte tijd of voor een langere periode te onderbreken – bracht me dit telkens iets: ontspanning, energie, een nieuw inzicht of idee, verbondenheid met mezelf of anderen, veerkracht en bovenal wijsheid. Een wijsheid die dan weer nooit ontstond door actief iets te doen, zoals het lezen van een boek of het volgen van een studie.

Ik zou nu een ‘zweverige’ afslag kunnen nemen. Ik zou het kunnen hebben over dat wat niet zintuigelijk te ervaren is en wat je wel en alleen maar kunt ervaren in momenten van stilte en rust. Maar ik wil rust graag uit deze hoek houden en laten zien dat rust voor velen – zo niet iedereen – winstgevend kan zijn. In deze fase van een gedeeltelijke lockdown, lopen veel mensen zowel tegen de moeilijkheid van rust, als de waarde ervan op.

Zo had ik onlangs een administratieve klus te klaren. Deze specifieke taak – het verantwoorden van mijn gewerkte uren aan het UWV – schoof ik steeds tot wel een half jaar voor me uit. Daar doe ik mezelf best wel tekort mee; ik krijg pas betaald zodra de uren zijn verantwoord. Daarnaast moest ik al verschillende keren met schaamrood op mijn kaken aan klanten en hun werkgever laten weten dat ik nog geen aanvraag voor verlenging van hun jobcoachtraject had kunnen doen, soms wel tot twee maanden na de einddatum van een traject. Het verlengen van een traject kan namelijk pas worden aangevraagd, wanneer de uren binnen het toegekende traject zijn verantwoord.

Tot twee weken geleden liep ik opnieuw gigantisch achter. Ik had sinds begin mei de uren niet verantwoord. Het klaren van deze klus, gebeurde dit keer echter verrassend anders dan voorheen. Nadat ik zo’n zes weken op weg was in mijn sabbatical was er nog evenzogoed geen ‘zin’ om de klus te volbrengen, maar er groeide wel een verlangen om me van de klus te bevrijden. Om de ruimte voor rust nog verder te vergroten, evenals ik zes weken daarvoor zaken had afgerond, gewoonweg van mijn bordje had geveegd of in de koelkast had gezet.

Het groeiende verlangen naar bevrijding van deze klus, hielp me – voor het eerst sinds ik zo’n zes jaar geleden als jobcoach in opdracht van het UWV startte – te zien dat ik aan een vorm van zelfkastijding deed: de weerstand, het gevecht met deze klus en daarmee de stress die het bij me opriep, ik liet me er op onnodig veel momenten en onnodig lang in verblijven.

Dit wilde ik niet langer!

Te meer nu er in mijn verdere leven zoveel en steeds meer rust was. Ik besloot – onder aanmoediging en met aanwijzingen van Thimothy Ferriss (in zijn boek ‘The 4-hour work week’)  – om alvorens daadwerkelijk aan de slag te gaan, eerst te bepalen hoe ik de klus in zo min mogelijk tijd en met zo min mogelijk moeite gedaan kon krijgen. Ik stond mezelf toe om daar zolang als nodig bleek over te doen en pas daadwerkelijk te beginnen als ik ervan overtuigd was dat ik de klus veel efficiënter ging aanpakken dan in de voorbije zes jaar.

Ik kwam tot een stappenplan en ik creëerde goede randvoorwaarden. Beide schrijf ik hier niet op, want ze zijn nauwelijks interessant. De kans dat het stappenplan of de randvoorwaarden ook voor jou werken of voor mijzelf bij andere ‘lastige’ klussen, is klein.

Wat in mijn ogen wél waardevol is, is het fenomeen dat ik ontdekte. Het fenomeen dat rust leidt tot meer efficiëntie én tot meer rust. Het boek wat ik las hielp me, of wel de informatie die ik tot me nam was waardevol, maar de rust die ik had was dat nog veel meer. Uiteindelijk was de rust zelfs dé doorslaggevende factor. De rust maakte namelijk dat ik naar mijn inefficiënte handelen kon kijken.

Uiteindelijk was het dus de rust die er voornamelijk voor zorgde dat ik de klus in minder dan de helft van de tijd klaarde én bovenal dat het – een weliswaar zeer moeilijk meetbare hoeveelheid – minder stress bij me opriep.

Doordat ik in rustiger vaarwater verkeerde, was er ruimte om een klus die voorheen veel stress opleverde, om te buigen naar een klus die dat veel minder deed. Als de rust en daarmee de ruimte er niet was geweest, had ik evenzogoed het boek van Ferriss kunnen lezen, maar ik had nooit de vertaling kunnen maken naar een concrete situatie als het klaren van de UWV-klus. Ik zou mijn eigen handelen gewoonweg over het hoofd hebben gezien.

De invloed van ‘de klus’ op mijn algehele rust verkleinde ook nog eens doordat er zowel minder lang als ook minder heftige stress was dan voorheen. Het gegeven dat de klus uiteindelijk geklaard was, droeg eraan bij dat mijn algehele gevoel van rust enkel toenam.

Rust is dus winstgevend. Rust biedt ruimte om met meer afstand naar je (inefficiënte) handelen of neiging tot (inefficiënt) handelen te kijken. Om te zien dat verandering van het eigen gedrag wenselijk is en om adviezen en ideeën die helpend zijn uit te proberen, te integreren, eigen te maken. De winst is meer efficiëntie en bovenal een fijner (werkend) leven.

En rust rendeert: met rust win je rust.

Mondkapjes Manie

Met de hulp van een – voor mij soms lachwekkende – video op Youtube waarin Lotte van Knipmode haar opdracht om de kijker tot een perfect resultaat helpen heel serieus neemt, knutselde ik er twee in elkaar. Ik had er plezier in om ze van een oude broek van mijzelf en een oud shirt van mijn lief te maken, maar was ook opgelucht dat ik na afloop van de zomervakantie in Frankrijk mijn eerste mondkapje weer in de kast kon leggen.

In de afgelopen weken naaide ik er echter niet alleen nog twee voor mezelf, maar ook nog eens drie voor mijn lief (die leverde maar wat graag oude shirts aan met een print dat hij nog steeds tof vond, maar het shirt zelf uit model of met slijtplekken), twee voor mijn vader en ook mijn moeder, zussen en een vriendin ontvingen een mondkapje van mijn hand.

Ergens voelde me in de afgelopen weken weer het 11-jarige kind dat ik ooit was. Tijdens het laatste jaar op de basisschool kregen mijn klasgenoten en ik de opdracht om een ‘stokpop’ te maken. Een pop die je met behulp van een stok uit een koker omhoog kon laten komen, zoals in De Efteling de kikkers bij het sprookje van de waterlelies uit het groen ziet op reizen; zichtbaar nadat ze eerst volledig verstopt waren.

Het was een omvangrijk project, waarvoor verschillende technieken – waaronder naaien – moesten worden toegepast. We werkten aantal weken, meerdere middagen per week ieder aan onze eigen stokpop. Sommige van de andere kinderen hoorde ik zuchten als onze juf aangaf dat we onze tassen met stofjes, naaigerei en andere benodigdheden weer tevoorschijn moesten halen. Anderen zag ik regelmatig vastlopen tijdens het maakproces, geen idee hebbend hoe ze verder konden gaan.

Voor mij was het erbij pakken van die ogenschijnlijk doodgewone plastic tas, het op tafel zetten en er een blik inwerpen, het moment waarop er steeds weer een wereld voor me open ging. Een wereld van mogelijkheden. Het begin van weer een stap verder komen naar het creëren van de stokpop die ik wilde maken. Als ik door de stofjes ging die ik had verzameld, wenste ik dat we nog veel meer mochten maken dan alleen die stokpop en dat ik later dozen vol stofjes zou hebben om alles zelf te kunnen maken wat ik wilde.

Ik dacht destijds niet na over wat ik allemaal nog meer kon doen in de tijd dat ik aan de stokpop werkte. Ik dacht al helemaal niet na over de waarde uitgedrukt in geld, dat ik met het maken van de stokpop creëerde of misliep.

Dit gebeurde wel met het naaien van de mondkapjes. Regelmatig dacht ik: zou ik niet beter iets zinnigers gaan doen? Of: herbruikbare mondkapjes zijn voor het luttele bedrag van vijf euro te koop, waar ben ik mee bezig?

Tijdens het werken aan de stokpop genoot ik gewoonweg van de ideeën die ik kreeg, de stappen die ik zette en het eindresultaat dat steeds dichterbij kwam. Ik heb het zolang ik het me kan herinneren heel fijn gevonden om ‘iets uit mijn handen te laten ontstaan’. Tijdens mijn studietijd raakte dat even in verval, maar tijdens de afstudeerstage van mijn tweede studie herontdekte ik de waarde ervan, als tegenhanger van het veel ‘met mijn hoofd’ bezig zijn op zowel binnen mijn afstudeerstage als tijdens het schrijven van mijn masterthesis.

Toch ging het naaien van de mondkapjes gepaard met regelmatige twijfel. Ik was het me alleen nauwelijks bewust. Het was als een brommend achtergrondgeluid dat je pas gewaar wordt zodra het stopt. Ik werd me van mijn twijfel bewust toen een vriendin me vertelde over hoe lastig ze het soms vindt om de tijd die ze besteed aan uitgebreid koken of lang voorlezen aan haar kinderen, te waarderen. Ze vertelde ook dat het haar al wel beter lukt nu ze niet langer werkzaam is in de commerciële sector, maar als freelancer binnen de sociale sector werkt.  

Dat er een ontwikkeling in haar beleving en waardering van haar activiteiten was doordat haar inkomstenbron wijzigde, was voor mij als het achtergrondgeluid dat plotseling stopt. Het deed mij inzien dat geld – of beter gezegd: mijn beeld van geld – mij in de weg zat om eenzelfde mate van waardering te hebben voor het naaien van de mondkapjes, als het maken van de stokpop zo’n 28 jaar geleden.

En nu? Ik heb nog geen idee, maar één ding weet ik wel: het is pure manie.

Mondkapjes manie.

Niet langer alle dagen druk

Ik heb een ontzettende hekel aan het gevoel het ‘druk’ te hebben. Aan ‘te druk’ nog veel meer. Dat idee dat er te weinig tijd is voor dat wat ik nog te doen heb, vind ik vreselijk. Dat wat ik te doen zet ik dan af tegen de kloktijd die er nog ‘over’ is om de taak te volbrengen. Ik voel me vervolgens opgejaagd en rusteloos. Niet alleen bij een gevoel van tijdstekort, maar ook bij een gevoel van bijvoorbeeld verveling wordt mijn beleving bepaalt, zo niet geregeerd, door de kloktijd. Logisch dat de klok de tijd aangeeft, of toch niet?

Het klopt dat een centrale en universeel geaccepteerde tijdsaanduiding een middel is dat met name in contact met elkaar nuttig is. Zo verschijnen we bijvoorbeeld (ongeveer) tegelijkertijd op een afgesproken plaats. Maar hoe vaak hoor ik niet van mijn cliënten dat zij een geheel andere tijdservaring hebben dan de klok aangeeft? Dat de tijd voorbij lijkt te kruipen op dodelijk saaie momenten en voorbij vliegt in momenten van flow.

Ook mijn eigen tijdsbeleving varieert enorm. Wat me regelmatig overkomt bij hele verschillende activiteiten is dat ik daar in alle rust aan begin. Na verloop van tijd besef ik dat er al een grote hoeveelheid tijd die ik eraan kon of wilde besteden is verstreken. Dan schakel ik om en boek ik in een fractie van de tijd die daarvoor is verstreken, meer resultaat.

Niks mis mee, zou je denken. Alleen wordt de ‘gespendeerde tijd’ in de periode dat ik rustig aan deed in mijn gedachtes, als minder goed gekwalificeerd dan de tijd waarin ik verhoudingsgewijs veel meer resultaat boekte. Ik denk dan bijvoorbeeld: nu heb ik weer eerst twee uur lopen lummelen voordat ik het laatste kwartier werkelijk op gang kwam. Ik vermoed dat de kwalificatie die ik geef aan dat waar ik mijn aandacht op richt gedurende een bepaalde periode, heel bepalende is voor mijn geluksbeleving, voor of ik me tevreden voel en senang. Ook vermoed ik dat wanneer ik mijn innerlijke beleving van tijd in plaats van de kloktijd meer als leidend neem, ik veel minder of zelfs niet zal oordelen over wat ik heb ondernomen of wellicht ook af heb gekregen. Zodra mijn innerlijke beleving van tijd leidend is – overigens zonder de kloktijd en de maatschappelijke en sociale functie die deze heeft volledig buiten de deur te zetten – valt het oordeel vermoedelijk weg.

Mijn cliënten vertellen me over enorme pieken en dalen in hun effectiviteit. Dat ze de ene dag of het ene moment, heel veel gedaan krijgen en dat er vervolgens uren of dagen, soms wel weken geen garen op de klos komt. Ik denk dat ook zij belemmerd worden door niet alleen het oordeel dat ze zelf vellen over dat wat ze (niet) doen of creëren, maar vooral ook omdat het afgezet wordt tegen de voorbij (klok)tijd.

Afgelopen maand heb ik 19 dagen achtereen niet gewerkt en daarbinnen ben ik twee keer een week op vakantie geweest. De eerste vakantie – nadat ik nog een enorme ratrace liep in de twee dagen voordat we vertrokken – vond plaats aan de middellandse kust en in de Franse Alpen. Ik was samen met mijn geliefde, we waren weer ‘gewoon’ in het buitenland, het was heerlijk weer en voeren met onze kajak op de zee (en werden teruggehaald door de kustwacht) en op een azuurblauw meer. Dit en meer maakten de vakantie heel fijn. Toch kwam ik pas tijdens de tweede vakantieweek echt tot rust. Tussen de twee vakantieweken in was ik twee nachten thuis om vervolgens – nu ook samen met mijn dochters Sofie en Liesje – op een camping 20 kilometer van ons huis neer te strijken.

Daar zonk ik na enkele dagen in mijn eigen innerlijke tijd. Misschien wel juist omdat mijn activiteiten en mogelijkheden redelijk beperkt waren. Ik kon weinig anders dan lezen, schrijven, aanrommelen, gitaar spelen, voor het eten zorgen, wandelen en zwemmen, doordat ik – hoewel ik de twee dames nauwelijks zag of sprak – wel beschikbaar moest blijven voor de 6- en 8-jarige met wie ik ook op vakantie was. Na enkele dagen gaf niet langer het uur van de dag, maar gaven onze magen aan wanneer we gingen eten, bepaalde de vermoeidheid hoe laat we gingen slapen en weer op stonden, onze bewegingsdrang wanneer we gingen wandelen of zwemmen en onze inspiratie wanneer we iets maakten of creëerden.

Hoewel ik op de laatste vakantie mijn innerlijke tijdbeleving sterk ervoer, kan ik deze maar moeilijk beschrijven. Misschien ook is het helemaal geen tijdbeleving, maar is het juist veel meer het ervaren van het moment, het ‘nu’.Ik droeg al nauwelijks een horloge en zowel bij mij thuis, als op kantoor is geen klok te vinden. Toch is de kloktijd veel duidelijker aanwezig nu ik weer thuis en op kantoor ben. Ik voel hiertegen niet alleen weerstand en verzet, ik voel ook dat er zowel voor mijzelf, als voor mijn cliënten veel meer rust, helderheid, plezier en voldoening kan zijn naarmate we de kloktijd meer loslaten en de innerlijke tijd meer omarmen.

Goeie gewoonte

Tijdens onze vakantie in Zuid-Frankrijk deze zomer, ontstond het idee om ook thuis ’s middags ‘echt’ te eten. Daarmee bedoel ik een werkelijke maaltijd. Iets dat, zeg maar, bereid is. Met groenten en zo. Je weet wel, dat wat dus in Mediterrane landen heel gewoon is.

Om precies te zijn ontstond dit idee op een camping in de Franse Alpen. Zittend op een kleedje voor het ieniemienie tentje waarin we overnachtten, bereidden we een lunch op twee pitjes. Nadat we de eerste twee happen ervan aten, stond onze Franse buurvrouw met twee gekoelde biertjes, een opener en een vragend gezicht bij ons. We knikten gretig ‘ja’, want een koud drankje hadden we überhaupt in geen dagen gehad. Toen het koude bier zich vermengde met het eten, concludeerden we dit toch wel het goede leven was en dat we dit vaker moesten doen.

Thuisgekomen lukte het zo nu en dan om ’s middags werkelijk te eten. Zo nu en dan zelfs met een glaasje wijn erbij. Zo ongeveer de helft van de dagen bestond mijn middageten uit iets anders dan een belegde boterham. Het werd me in de eerste weken na thuiskomst van de vakantie, duidelijk dat als ik deze gewoonte helemaal wilde doorvoeren, ik een flinke tijdsinvestering moest gaan doen. Dat dagelijks een extra maaltijd bereiden heel wat meer aandacht vraagt, dan dat het smeren van twee boterhammen.

Met deze halve verandering, drong zich echter al wel een besef bij me op. Het besef dat mijn dagelijkse energie-inname voor een groot deel bestond uit koolhydraten en dat ik mijn leven lang al veel brood at. Ook realiseerde ik me dat ik dit niet alleen als doodnormaal beschouwde, maar zelfs als gezond (want ik at toch nagenoeg altijd volkoren brood?). Op één van de dagen dat dit besef tot me doordrong, liep ik in de bieb. Ik hoefde echt alleen maar een motortheorieboek voor mijn lief te halen en het was echt niet nodig dat ik wéér in de rij belandde waar de psychologie, filosofie en voedingsboeken zich bevinden, maar dat gebeurde toch en aldaar sprong het boek ‘broodbuik’ me in het oog.

Ik gooide het gauw – samen met nog twee andere boeken en voordat ik nog meer kon mee grissen – in mijn mandje en liep met vlotte tred naar de plek waar ik me de lener kon worden van de boeken die ik tijdens mijn bliksembezoek had weten te verzamelen. Nog diezelfde dag las ik de in mijn ogen belangrijkste delen en viel mijn besluit: geen graan meer voor mij. Alle door de auteur – tevens cardioloog – genoemde gezondheidsvoordelen (waaronder het vooruitzicht dat ik nu eindelijk eens van mijn (brood)buikje af zou komen), overtuigden me ervan dat het een goede poging waard was om een graanvrij bestaan op te bouwen.  

Inmiddels leef ik al bijna een maand zonder graan. Mijn lief doet hier gewillig aan mee, want die wilde en wil veel minder koolhydraten en veel meer eiwitten in zijn voeding. Hij maakte in de afgelopen maand de hamburgers die we heel graag eten met ‘broodjes’ van kropsla, ik maakte pizzadeeg van amandelmeel, ei, roomkaas en mozzarella. Bovenal ontdekten we nieuwe gerechten en aten we gewoonweg lekker heel veel groenten. Zo bestond onze maaltijd van gisteravond uit gevulde courgettes, peulen, gegrilde groenten, salade met voor hem kip en voor mij een kaasburger.  

En zo zou ik dit verhaaltje ook kunnen afronden, met een ‘eind goed al goed’ uitleiding. Even concluderen dat een graanvrij eetpatroon alleen maar voordelen heeft – want die zijn er naast de afname van de omvang van je buik werkelijk heel wat. Zo heb ik haast geen honger meer en is het ‘graven’ naar voedsel echt verleden tijd en mijn huid er veel glanzender en gezonder uit – en dat vinden van nieuwe gerechten of het aanpassen van bestaande iets is dat we maar wat graag doen en waar we maar al te graag tijd voor maken.

Maar dat is niet de realiteit. Wat waar is, is dat ik me na een maand niet meer afvraag of ik het me toch niet gewoon makkelijk zal maken en een boterham zal smeren, dat ik niet meer overweeg om een croissantje te halen bij de bakker waaraan ik voorbij loop, of toch even snel een broodje zal smeren voor onderweg. Wat ook waar is, is dat haast iedere dag opnieuw voor deze gewoonte moet kiezen. Ja, ik ga ook vandaag weer nadenken wat ik vanmiddag én vanavond eet. Ja, ik zoek naar recepten om – ik noem maar wat – graanvrij lasagnebladen of nachochips te maken. Ja, ik ga haast iedere dag naar de supermarkt. En ja, ik kies er weer voor om meer dan de dubbele hoeveelheid tijd en veel meer geld dan voorheen te investeren in mijn voeding.

Maar juist dat dit een gewoonte is waarvoor ik nog steeds en voorlopig waarschijnlijk nog wel even iedere dag weer kies, maakt dat ik er bewust voor kies. En juist dat, geeft een vorm van voldoening die een onbewuste gewoonte niet biedt.

Afleiding versus afstand

Het schooljaar is sinds een week begonnen en Rozemarijn (21, ADD) heeft al enkele lessen gemist; ze had zich verslapen of ze was de les gewoonweg vergeten. Meestal was er nog wel gelegenheid om een deel van de les bij te wonen, maar dat deed ze dan uit schaamte niet.

Als ik Rozemarijn vraag hoe zij zich erover voelt om weer aan haar studie te beginnen – ze start voor de tweede keer als eerstejaars – geeft ze aan zich gemotiveerd én overweldigd te voelen. Dit laatste kan ik plaatsen: ze is al eerder aan een andere studie begonnen, het voorgezet onderwijs ging voor haar ook niet van een leien dakje en nu start ze dus voor de tweede keer in het eerste jaar.

We zoomen in op het gevoel van overweldigd zijn en ontdekken dat het haar niet alleen aanzet tot uitstelgedrag, maar dat het haar zo goed als verlamd. Ze wordt zó in beslag genomen door haar gevoel, dat er nog maar één oplossing is:

afleiding zoeken.

Als jonge vrouw met ADD is zij hier meester in; er is altijd wel iets wat interessanter, urgenter of plezieriger is dan zich aan haar studie te wijten.

Samen maken we een lijstje van dingen die zij kan doen, niet als afleiding, maar wat haar kan helpen tot rust te komen en afstand te nemen van haar heftige gevoelens. We komen tot de volgende mogelijkheden: wandelen, serie kijken, schilderen, tekenen, lezen en rommelen.

Aan de eerste drie opties, blijkt een sterke ‘maar’ vast te zitten. Wandelen doet haar goed, maar kan niet in de nabije omgeving van haar huis. Serie kijken is fijn en ontspannend, maar wordt al snel afleiding in plaats van ontspanning en is daarmee moeilijk te onderbreken. Schilderen vraagt wat meer om eraan te beginnen en omdat het een grootse activiteit is, kan dat ook moeilijk onderbroken worden. De andere opties lijken heel geschikt: ze liggen binnen handbereik en ze kan ze ook weer makkelijk naast zich neerleggen.

En dan komt het moeilijkste onderdeel van de opdracht die ik haar geef: vertrouwen. Ik vraag haar om erin te vertrouwen dat wanneer zij zichzelf werkelijk permissie geeft om iets te doen dat haar ontspant, wat rust en afstand biedt, dat zij op een zeker moment zal denken: laat ik tóch maar even uitzoeken hoe laat de les begint, of: mwah, ik kan best mijn wekker morgenvroeg wat eerder zetten, of: laat ik nu maar even een appje sturen naar één van mijn medestudenten van mijn projectgroep, of: laat ik mijn studieboek eens openen en de eerste pagina’s.

Ik wéét dat het zo werkt. Dat wanneer je er oprecht oké mee bent dat je iets ‘voor jezelf’ doet, er ruimte ontstaat om ook je studie voor jezelf te doen. Het is zelfs zo dat hoe meer je er oké mee bent dat je iets voor jezelf doet, dat je de tijd aan jezelf geeft, des te gemakkelijker en eerder je ‘verplichtingen’ ook als iets voor jezelf gaat zien. Tenzij natuurlijk blijkt dat je je aan iets hebt gecommitteerd dat niet bij je past (in het geval van Rozemarijn dat ze niet de juiste studiekeuze heeft gemaakt, maar je kunt ook denken aan werk, een partner of een vriendschap).

Je hebt alleen ruimte nodig om weer te kunnen zien dat het iets is wat je zelf wilt en dat je door opgedane ervaringen de hordes die je te nemen hebt binnen het commitment dat je bent aangegaan, bent gaan zien als onbeklimbare bergen. Als er ruimte en afstand is, als er weer intrinsieke motivatie is, dan zie je de eerst volgende stap of stappen die je kunt nemen en is de zin om dat te doen er ook.