Koude douche

Ach wat, ik kan nu net zo goed even onder een koude douche gaan staan. Dat is wat ik twee weken geleden op een ochtend, toen ik ontbloot en rillend kleding uitzocht, dacht. Deze gedachte zette ik om in actie en daarmee ging de ontwikkeling van de nieuwe gewoonte van start.

Dit is verre van de gemakkelijkste gewoonte die ik me ooit heb eigen gemaakt. Ik las alleen al te vaak iets over de gezondheidsvoordelen van koud douchen en de tips van een zus – deze vind je onderaan dit verhaal – die al eerder begon, vormden het laatste zetje om me eraan te wagen.

Na afloop van mijn eerste koude ochtenddouche, stond ik weer voor mijn kledingkast om een outfit voor die dag uit te kiezen. Ik had het alleen veel warmer dan voor het douchen.

Ik weet dat het ontwikkelen van een nieuwe gewoonte met ups en downs gaat en dus ben ik er oké mee dat ik in de voorbije 14 dagen, twee dagen niet koud douchte. Ik weet ook dat de kans groot is dat koud douchen ’s ochtends – zo lang het daadwerkelijk voordelig voor mijn gezondheid blijft – een ingesleten gewoonte wordt.

Het vertrouwen dat ik nu heb in mijn eigen gewoonteontwikkeling, was er tot ruim een jaar geleden niet. Niet dat ik me daarvoor geen goede gewoontes eigen maakte, dat deed ik zeker wel, maar dat gebeurde vooral op wilskracht. Maar aan iedere morgen koud douchen, daar komt toch zeker ook wilskracht te pas? Ik hoor het je vragen en het klopt, het vraagt nu nog aardig wat wilskracht om ’s ochtends onder de koude douche te stappen.

Wilskracht tonen en er vertrouwen in hebben dat dat wat je doet zich zal ontwikkelen tot gewoonte – en dat er daarom op den duur veel minder wilskracht nodig gaat zijn – is een hele andere beleving, dan wanneer dit vertrouwen ontbreekt. Daarnaast is dat vertrouwen natuurlijk essentieel bij het ontwikkelen van een nieuwe gewoonte.

Het vertrouwen dat ik nu heb in mezelf als het gaat om gewoonteontwikkeling is gedeeltelijk gebaseerd op dat ik mezelf in de afgelopen tijd een aantal goede gewoontes heb zien ontwikkelen. Veel belangrijker is echter dat mijn motivatie om gewoontes te ontwikkelen en behouden drastisch is veranderd.

Ik had het nauwelijks door, maar de reden, mijn motivatie om gewoontes te ontwikkelen, lag voorheen voornamelijk buiten mijzelf. Ik ontwikkelde nieuwe gewoontes of deed een poging hiertoe om de erkenning voor óf de resultaten – bijvoorbeeld een fitter lichaam, meer inkomsten, een netter huis (in de ogen van bezoek wel te verstaan) – óf voor de gewoonte zelf. Dat er gezegd zou worden: ‘Wow! Lukt het jou om iedere dag …?!’ Vul op het stippellijntje de gewoonte in die ik me op dat moment eigen probeerde te maken.

Mijn motivatie om nieuwe gewoontes te ontwikkelen heeft zich van extrinsiek naar intrinsiek ontwikkeld. Dit gebeurde geruisloos, onopvallend. Een maand of wat geleden drong het plots tot me door: de gewoontes die ik me de laatste tijd heb eigen gemaakt, zijn er voor mezelf. Ik verricht de handelingen omdat ik ze fijn vind (dit geldt alleen duidelijk (nog) niet voor koud douchen), behaal er resultaten mee die ik fijn vind (zo heb ik het gedurende dag veel warmer dankzij de koude douche in de ochtend) en creëer een leven dat ik fijn vind.

Goede gewoontes zijn namelijk niet alleen fijn voor het moment, of om de resultaten, maar ook zetten ze aan tot het ontwikkelen van een fijn leven. Tenminste, als je kiest voor gewoontes die werkelijk passen bij wie je bent. Eén of enkele echt passende, (sleutel)gewoontes leiden tot het bekende rimpeleffect: ze brengen verandering in een veel groter gebied, dan alleen in het moment van de handeling zelf of het resultaat waarop de gewoonte is gericht.

Dat over sleutelgewoontes ontdekte ik overigens niet zelf. Ik las het in het boek ‘De macht der gewoonte’ van Charles Duhigg. Ik zag wél direct dat het heel erg waar is. Ik ervaar mijn leven als makkelijker, fijner en bevredigender, sinds ik me enkele nieuwe (sleutel)gewoontes heb eigen gemaakt.

Fijne gewoontes, voor fijne resultaten en een fijn leven voor mij. Dat is al genoeg, maar ik maak het daarmee ook fijner voor mijn naasten. Ik ben een geliefde, moeder, dochter, zus, vriendin met meer energie, zin, geduld, aandacht en ruimte als ik leef met fijne gewoontes.

En jij ook.

.

.

Dan nog dit:

Mocht je ook  eens willen proberen om koud te douchen, dan heb ik hier de tips van mijn zus voor je: maak eerst alleen je armen en benen nat, dan ook je schouders, dan je billen en langzaam aan een steeds groter deel van je rug. Laat je hoofd – zeker voorlopig – nog onder de douche vandaan. Opbouwen is ‘the key to success’.

En ook nog dit:

Het boek ‘De macht der gewoonte’ van Charles Duhigg is een aanrader als je 1) wilt weten hoe je eigen gewoontes kunt veranderen en 2) invloed kan hebben op die van anderen.

Mondkapjes en kamerplanten. Onzin?

Net zo goed als dat ik me nooit mengde in de zwartepieten-discussie, laat ik ook de mondkapjes-discussie aan me voorbij gaan. Ik heb er simpelweg geen mening over. Wel is er een licht dat ik erop wil laten schijnen, een perspectief dat ik tot nu toe niet tegenkwam tussen alle voors en tegens op social media. Voor dit perspectief liet ik mijn tijdlijn voor wat ie was en begaf ik me tussen mensen. Mensen in openbare ruimtes. Mensen met mondkapjes op.

De eerste keer dat ik een mondkapje droeg was afgelopen zomer in Frankrijk. Het was daar toen al verplicht en iedereen droeg er één, maar toch en of misschien juist daarom voelde ik me als toen ik voor het eerst naar de sauna ging. Hoewel ogenschijnlijk een omgekeerd situatie – ik droeg met het mondkapje op juist meer kleding dan normaal in plaats van dat ik niets aan had in het bijzijn van zoveel anderen – is het in beide gevallen een verandering waarbij ik me op een tot dan toe niet vertrouwde wijze conformeerde.

Onwennig keek ik de Franse supermarkt rond en bepaalde of er mensen naar me keken, wat niet zo was. Ongemakkelijk mompelde ik door het stof iets naar mijn lief en keek haast schichtig of hij me had verstaan. Eenmaal weer buiten maakte ik vlug de elastiekjes rond mijn oren los en haalde opgelucht adem. Niet zozeer om de verminderde zuurstof, maar omdat het afdoen van het mondkapje me terugbracht bij de status quo, de omstandigheid die ik tot even daarvoor gewend was.

Ook tijdens mijn eerste bezoek aan de sauna voelde ik me onwennig, keek ik schichtig en was ik opgelucht toen ik mijn badjas weer aan had, dat ervoor zorgde dat de status quo grotendeels werd hersteld. Toch wende het naakt zijn tussen allemaal naakte mensen snel. Na een paar uur zat ik er op mijn gemak bij en begreep ik de etiquette van wanneer je wel en geen badjas droeg en wanneer je een handdoek omsloeg en deze af liet. Ik had ook al gauw door dat er een heleboel sociale conventies die buiten de sauna golden, bleven gelden, bijvoorbeeld dat je mensen even goed in hun ogen aankeek als je naar hen luisterde. 

Ik ervoer dat het dragen van een mondkapje, nu ik dat alweer zo’n twee maanden doe, ook snel wende. Ik heb me ook hierbij de etiquette moeten eigen maken, maar ik ontdekte al snel dat er ook met het dragen van een mondkapje, vele sociale conventies gewoon overeind bleven. Nog steeds en met evenveel vriendelijkheid en plezier begroet ik bekenden en maak ik een praatje met hen in de buurtsupermarkt. Daarnaast en bovenal is er een neveneffect dat ik niet voorzag en me positief verraste: het oogcontact is veel intenser, niet alleen met bekenden, maar zeker ook met vreemden. Ik maak bewuster en aandachtiger contact met mijn ogen en ga zorgvuldiger in de ogen van de ander na of ik word verstaan en of ik de ander goed begrijp. 

We zijn collectief overgestapt naar een situatie die ver verwijderd ligt van de tot voor kort geldende norm. Laten we dit fenomeen voor een moment loskoppelen van de discussie over of het gebruik van mondkapjes in openbare ruimtes een zinvolle maatregel is om de pandemie een halt toe te roepen. Als ik namelijk vanuit sociaal oogpunt naar dit fenomeen kijk, dan neem ik iets verrassends waar. Als ik in mijn omgeving rondvraag naar de motivatie om een mondkapje te dragen, dan gaat het eigenlijk nooit expliciet over de effectiviteit ervan, maar krijg ik antwoorden als: ‘Uit solidariteit naar mijn medemensen.’ Of: ‘Uit respect voor de mensen die in de gezondheidszorg werken.’ 

Wij mensen hebben emotionele basisbehoeftes en één ervan is om ons te verbinden met anderen.  Met het aanbevelen en sinds eergisteren verplichten van het dragen mondkapjes in openbare ruimtes, hebben we collectief een middel in handen gekregen – of in feite in ons gezicht, voor onze mond – om ons met elkaar te verbinden. Om een gevoel van saamhorigheid te ervaren. 

Het dragen van een mondkapje kan gewoonweg één van de ontzettend vele dingen zijn die jij en ik dagelijks doen, maar die, als je er echt goed over nadenkt, niet of nauwelijks effectief blijken. Neem nu het zorgen voor een frisse geur op het toilet. Nodig? Nauwelijks, maar wel gastvrij naar je bezoek. Planten houden in huis. Oogst je daar iets van? Bijna nooit. Boodschappen opbergen in keukenkastjes? Je kunt het meeste ervan beter op je aanrecht laten staan. De dagen erna gebruik je het en er blijft heus wel een plekje vrij om je snijplank neer te leggen.

Als je vanuit het perspectief van effectiviteit een dag lang je eigen handelingen observeert, dan zal het je verbazen hoeveel je doet dat niet bijdraagt aan het beoogde doel. Hoeveel handelingen in werkelijkheid een totaal of grotendeels andere bijdrage hebben, dan gedacht of (ooit) bedoeld. 

Bij mij heeft alleen al het maken van de mondkapjes grotendeels een ander effect gesorteerd, dan ik kon voorzien. Ik dacht in eerste instantie dat ik ze zou maken zodat ik ze kon dragen, weliswaar met meer plezier dan dat ik zou doen als ik ze zou kopen. Ik kon niet voorzien dat het me zoveel voldoening zou brengen om ze uit mijn handen te laten komen, dat er nieuwe ideeën voor naaiprojecten zouden ontstaan, dat ik herinneringen bij mezelf en bij anderen zou ophalen door de oude kleding die ik gebruikte voor de mondkapjes en dat ik zulke gezellige momenten zou hebben met de mensen waarvoor ik een mondkapje maakte.

Handelingen die niet effectief zijn, zijn niet per definitie zinloos. En misschien gaan we – zodra de dag aanbreekt dat de mondkapjesplicht wordt opgeheven – de verbindende werking ervan nog missen.

Tunnelgesprek

Iedere ouder herkent dit: gesprekken met je kind waarbij je kind maar blijft doorvragen en je antwoorden al lang en breed op zijn. Je bent in gesprek met je kind alsof je in een tunnel zit. Om gek van te worden. Tegenwoordig kan ik tegen Sofie en Liesje zeggen dat we een tunnelgesprek voeren. Het gesprek over de tunnel – zo’n vier jaar geleden – is Sofie niet vergeten en Liesje kent inmiddels het verhaal hieronder uit haar hoofd.

De reis met het openbaar vervoer van ons huis in Eindhoven naar dat van tante Noor in Breda en het vooruitzicht haar katten weer te zien, maakten zoveel indruk op Sofie (bijna 5 jaar), dat ze geen reden zag om bij aankomst eerst nog naar de kermis te willen. Tante Noor, die speciaal hiervoor naar het station is gelopen, mocht direct met ons met de bus mee terug naar haar huis.

Na een uur geharrewar met de katten, waarbij de één een veilig heenkomen zocht tussen de handdoeken in de badkamer en de ander het vele aaien weliswaar prettig leek te vinden, maar toch wat verschrikt keek wanneer zij weer kinderhanden op zich zag afkomen, zagen mijn zus en ik dat de zon volop scheen en stelden we voor om naar een speeltuin te lopen. Wederom bleek er geen animo voor dat idee. Voordat we het ‘logeren’ werkelijk ten uitvoer brachten, wisten Sofie en Liesje zich drie-en-een-half uur te vermaken in een huis met één puzzel en één prentenboek, wat kattenspeeltjes en de katten zelf.  

Op de terugreis die we vanochtend maakten hadden we geen katten in het vooruitzicht, maar wel iets anders dat blijkbaar op de heenreis toch indruk had gemaakt: de tunnel bij station Best. Voordat we goed en wel zaten, vroeg Sofie: ‘Komt de tunnel dadelijk, mama?’

Ik antwoordde dat we eerst nog zouden stoppen in Tilburg. Met deze uitleg en een beker chocolademelk, wist ik het vragenvuur een kwartier uit te stellen. Zodra de trein echter aanstalten maakte om uit Tilburg weg te rijden, ging Sofie los:

Sofie: ‘Komt de tunnel al, Anne?’

Ik: ‘Nee dat duurt nog even, lieverd.’

Sofie: ‘Wanneer komt ie dan, mama?’

Ik: ‘Dat weet ik niet precies, maar voordat we om tien uur in Eindhoven arriveren, zijn we er doorheen geweest.’

Sofie: ‘Waar is die tunnel dan, Annetje?’

Ik: ‘Die is bij station Best.’

Sofie: ‘En hoelang duurt het nog voordat we daar zijn?’

Ik: ‘Nog wel even lieverd, als ik denk dat we er bijna zijn, dan zal ik het zeggen.’

Sofie: ‘Mama, zijn we er al bijna?’

Ik: ‘Lieverd, nu wil ik geen vragen meer beantwoorden over de tunnel, want ik kan je er gewoonweg niet meer over vertellen dan ik tot nu toe al heb gedaan.’

Twee minuten verstreken en toen hoorde ik zachtjes: ‘Mama, mag ik tóch nog iets vragen over de tunnel?’

Ik kon dit aandoenlijke verzoek niet weerstaan en sprokkelde al mijn geduld bij elkaar en beantwoordde toch nog enkele tunnel-vragen. En toen werd het plots donker…

‘Jaaaah, we zijn in de tunnel!’ joelde Sofie stralend. Ze keek verwonderd rond naar het effect op het licht en de sfeer in de trein. Ik haalde opgelucht adem. De ondervraging was ten einde. Zo leek het dan. Binnen 20 seconden bleek dat ik degene was die te vroeg gejuicht. Sofie richtte haar ogen namelijk weer op mij:

‘Gaan we nog lang in de tunnel?’

Versimpel-stress

Onze dag vandaag begon zo’n beetje met een spelletje dat bij ons thuis bekend staat als ‘proeverijtje’. Het is niet bepaald mijn lievelingsspel en vanochtend werd opnieuw duidelijk waarom. Nadat Liesje (7) – terwijl ik mijn ogen dichthield – me eerst verzocht mijn hoofd naar achteren en mijn mond open te houden en deze met een dermate hoeveelheid slagroom volspoot dat ik mijn mond nog maar amper kon sluiten om de luchtige en intens zoete substantie weg te slikken, gaf Sofie (9) mij een goed gevulde lepel met ketchup te verwerken. Hoewel ik beide keren goed raadde wat er in mijn mond was gestopt, werd ik toch niet al te blij van deze bijzondere combinatie.

‘Zo, jullie krijgen van mij beiden ook nog twee lepels om te proeven en daarna is dit spelletje klaar,’ zei ik veel aardiger dan ik me voelde tegen twee zichtbaar teleurgestelde gezichten. En zo ging het. Vervolgens ruimden we de tafel af en deden in de twee uur die volgden ieder de meeste tijd ‘ons ding’. Voor Sofie en Liesje luisterden – zoals vaker op zondagochtend – op hun slaapkamers naar een luisterboek en tekenden en maakten met alle mogelijke ingrediënten slijm.

‘Mijn ding’ is de laatste tijd ‘versimpelen’. Vandaag keek ik de huiskamer rond en zag verschillende voorwerpen staan waarvan ik dacht: daar hecht ik nauwelijks of geen waarde aan. Ik zette een aantal spullen in de berging om in de komende week naar de tweedehandswinkel te brengen en bracht een aantal andere spullen naar zolder.

Hoewel ik ook probeer te versimpelen in mijn activiteiten, ik probeer één ding tegelijk en met mijn volledige aandacht te doen en zo min mogelijk bezig te zijn met de dingen die ik erna te doen heb, raakte ik toch wat op dreef en bedacht verschillende klussen en voerden die enigszins gehaast uit. Zo waste ik af, maakte schoon, stofzuigde en hielp tussentijds ook nog Sofie met het schoonmaken van haar kamer. Misschien had mijn ‘vibe’ haar vanaf beneden weten te bereiken, maar nadat ik in de afgelopen vier weken iedere week had aangegeven dat er om haar kamer schoon te kunnen maken, echt wat minder spullen uitgestald diende te staan, had ze nu zonder aansporen zo’n beetje de helft van de collectie van haar persoonlijke museum opgeborgen.

Tegen het einde van de ochtend begon ik me te storen aan het spoor van rommel dat Sofie en Liesje al hadden achtergelaten en bij iedere nieuwe activiteit weer achterlieten. Voordat we even voor lunchtijd naar mijn ouders vertrokken, vroeg ik Sofie de op de eettafel achtergebleven verpakkingsmaterialen op te ruimen. Ze liep vanuit de berging de woonkamer in en liet een spoor van zand achter dat loskwam van de schoenen die ze zojuist had aangetrokken. Mopperend pakte ik opnieuw de stofzuiger en Sofie droop af, terug naar de berging.

Toen ik de stofzuiger had teruggezet en zelf ook via de berging aan de voorkant van ons huis naar buiten liep, bromde ik door over dat de tafel nog steeds bezaaid was met rommel en klaagde dat ik weer degene was die eraan zou moeten denken als we straks terug thuis kwamen. Terwijl we wegreden werd mijn relaas onderbroken door een ‘nu is het wel genoeg, mama!’ van Sofie. Ik stopte direct, beseffende dat ze gelijk had.

Mijn irritatie pakte ik echter weer op toen we in de loop van de middag weer thuis arriveerden. Ik denk dat ik ‘m wat minder vaak en minder duidelijk uitte dan aan het einde van de ochtend. Ik deed daarvoor in ieder geval mijn best. Ik stoorde me evenzogoed enorm aan de chaos die Sofie en Liesje zowel op materieel vlak, als in geluid en opstootjes die ze hadden creëerden. Ik was net zo lekker op gang geraakt met ‘versimpelen’ en wilde, nee had het gevoel dat ik mijn omgeving en mijn dag simpel móest houden.

Tegen het einde van de middag pakte ik mijn laptop en vluchtte naar mijn (overzichtelijke) bureau op mijn slaapkamer. Een half uur later en na de vraag ‘mama, kom je weer naar beneden?’, liep ik zonder rondkijken via de kortste weg door de huiskamer, naar de keuken om daar aan het avondeten te beginnen. Hierop trachtte ik me volledig te concentreren. Met de nadruk op ‘trachtte’.

Onze dag eindigde ook met een spelletje. Tijdens het avondeten bespraken Sofie en Liesje welke kringspellen zoal bij hen in de klas werden gespeeld. Ik herinnerde me het ‘krantenmeppertje’ waarover Sofie het had nog van toen ikzelf in groep 6 zat. Vervolgens kwam er een meer recente, maar desondanks meer vage herinnering terug aan een spel dat ik met de kinderen van groep 8 speelde toen ik in 2002 hun juf was.

Het was een kringspel waarbij ieder kind een dierennaam moest aannemen en waarbij een extra stoel in de kring stond, die steeds moest worden opgevuld door een kind waarvan de dierennaam even daarvoor was genoemd. Waarschijnlijk heb je nog geen beeld van het doel van het spel. Dat had ik vanavond ook niet, maar ik dacht dat dat me misschien weer zou invallen als ik het kringspel opnieuw speelde.

Gelukkig waren daar direct twee enthousiaste vrijwilligers om mijn geheugen te helpen opfrissen: Sofie en Liesje verplaatsten vlotjes vier stoelen van de eettafel naar de ‘kring’. Liesje wilde een dolfijn zijn, Sofie een cheeta en ik een kat. We konden beginnen en ik herinnerde me op dat moment dat het kind dat links van de lege plek zat, zijn of haar rechterhand op de stoel moest leggen en vlug een dierennaam van één van de anderen moest noemen. Daarmee was echt alles verteld wat ik me nog van het spel herinnerde. Ik zag twee paar glunderende en verwachtingsvolle ogen de kring rondkijken. Blijkbaar werd het Liesje duidelijk dat zij, gezien de positie van de vrije stoel, moest beginnen. Ze mepte op de stoel naast haar, dacht even na en zei toen ‘cheeta’. Sofie keek mij aan, ik knikte en stond vervolgens op om op de stoel waarop Liesjes hand nog lag, plaats te nemen. Ik legde mijn rechterhand op de vrijgekomen stoel en zei ‘dolfijn’, waarop Liesje veel sneller en zonder twijfel, één plaatsje naar links schoof.

Tijdens het spelen ontstond het grapje om dezelfde persoon drie, vier, vijf keer achter elkaar te laten verplaatsen, waardoor het leek of diegene rond butste in onze minikring. Ook speelden we het spel zonder de dierennaam te noemen, maar door alleen het geluid van het dier te maken. Of, nou ja, we probeerden dat.

Het doel ontdekten we niet. We speelden gewoon. Er was geen stress. Het was simpel.

P.s.: Op maandagochtend hadden we na het ontbijt en voor vertrek naar school nog wat tijd en speelden het dierennamen-spel opnieuw. Nadat de eerste twee namen waren genoemd, prevelde ik: ‘er stond ook altijd een kind in het midden…’. Plots wist ik het doel van het spel: het kind dat in het midden staat moet proberen op de lege stoel plaats te nemen vóórdat er een nieuwe dierennaam wordt genoemd. Als dat lukt wordt het kind dat links van de lege plek zit (en er dus niet in is geslaagd om op tijd een dierennaam te noemen), het kind dat in het midden staat.

Ik probeerde dit uit te leggen aan Sofie en Liesje. Ze leken het te begrijpen, want Sofie stond al snel in het midden. Het spel stokte echter, want met nog maar twee mensen in de kring bleek het niet langer uitvoerbaar. Sofie ging gauw weer zitten, ze wilde dóór. En weer speelden we ons simpele, doelloze mini-kringspel.

Zorgzame aanwezigheid

De behoefte om te zorgen, om zorgzaam te zijn, erken ik pas recentelijk bij mezelf. En ook dit erkennen is nog in ontwikkeling. Ergens in 2018 – het jaar waarin ik single was en voornamelijk voor mijn kinderen en mijzelf zorgde – ontdekte ik dat ik me vervuld kon voelen bij het aandachtig vouwen van de was, uitgebreid koken, de tafel zorgvuldig dekken, het huis op orde brengen. Ik had mezelf tot dan toe niet als echt zorgzaam bestempeld. Nu ik zag dat ik dat wél was, realiseerde ik me ook dat ik mijn zorgzaamheid tot dan toe onvoldoende in een liefdesrelatie had kwijt gekund.

Ik had nog maar weinig ideeën over hoe ik mijn zorgzaamheid tot uitdrukking wilde brengen in een liefdesrelatie, maar dat ik een partner wilde die mijn zorgzaamheid kon aanvaarden en waarderen, was me duidelijk. Het was ook zo’n beetje het eerste wat ik mijn destijds aanstaande geliefde vertelde over wat ik zocht in een relatie.

Nou heeft mijn lief mijn zorgzaamheid vanaf de toeloop naar onze relatie meer gewaardeerd dan ik dacht dat mogelijk was en doet hij dit nog iedere dag. Hij wijdt dit zelf aan zijn traditionele inborst; hij is zelf op een meer typisch mannelijke manier zorgzaam naar mij. Hij haalt mij op als het donker is, ook al is het midden in de nacht, volbrengt iedere ‘klus’ die ik ‘m vraag of die hij zelf ziet, hij draagt me op handen. Zeer regelmatig letterlijk.

Zijn waardering voor mijn (meer typisch vrouwelijke) zorgzaamheid heeft er niet alleen aan bijgedragen dat ik in de afgelopen anderhalf jaar méér ben gaan zorgen voor mijn naasten, maar ook zorgzamer ben geworden naar mijn klanten. Eerder was ik bijvoorbeeld terughoudender in het bieden van geruststelling. Ik was bang om emotionele verantwoordelijkheid van de klant te ontnemen. Nu zeg ik veel gemakkelijker iets als: ‘Als ik jou zo beluisteren, mag je er vertrouwen in hebben dat je intentie goed is en dat je veelal het juiste doet.’

Gisteren liet ik echter een niet eerder vertoonde vorm van zorgzaamheid naar een klant zien: ik heb samen met een klant vier van haar keukenkastjes opgeruimd en schoongemaakt.

Mocht dit je als een klein klusje in de oren klinken, dan vergis je je. We deden er anderhalf uur over en meer dan de helft van wat zich daarvoor in de kastjes bevond, ging er niet terug in. En meer nog dan dat het in praktisch opzicht geen klein klusje was, was het dat op emotioneel vlak niet. Ik coach enkel intelligente en veelal ook hoogopgeleide vrouwen. De klant van gisteren valt ook helemaal in deze categorie. En dat zorgt juist voor verzwaring: slim zijn en hulp nodig hebben bij het uitmesten van vier keukenkastjes, dat voelt bepaald niet lekker.

Ik was erbij toen deze vrouw haar schaamte trotseerde en de kastjes open maakte. Ik luisterde naar de soms pijnlijke herinneringen, die de spullen bij haar opriepen. Ik zag haar hopeloze gezicht terwijl ze met een kopjes in haar handen stond en even niet meer wist waar ze deze kwijt kon. Toen ze na afloop met een zucht in een fauteuil zakte, zei ze opgelucht en blij te zijn, maar ook teleurgesteld dat zoiets als vier keukenkastjes op orde brengen haar alleen niet lukte.

Kwetsbaarheid. Daar was ik getuige van.

Ook ik ken regelmatig momenten van kwetsbaarheid waarin de zorg van een ander helpend, fijn en soms kei hard nodig is. Zoals vanavond. Mijn lief heeft me met een figuurlijk dwingende hand ertoe aangezet om gaan schrijven. Ik had ‘m eerder vandaag al aangegeven dat ik daartoe in de afgelopen tien dagen nauwelijks was gekomen en het gevoel had ‘verstopt’ te raken. Dat heb ik vaker: woorden, zinnen, alinea’s en soms zelfs hele verhalen hopen zich dan in me op en de enige uitweg is via mijn pen of toetsenbord.

Op vele momenten tijdens het schrijven van dit verhaal, ben ik geneigd om toch mails te gaan beantwoorden, aan mijn administratie te gaan werken, wat zaken uit te zoeken die nog uitgezocht moeten worden. Met andere woorden, ik ben geneigd dingen te gaan doen die in mijn ogen ‘moeten gebeuren’. Met mijn lief naast me aan ons tweepersoons bureau, voel ik de permissie om te doen wat goed is voor mij: mijn gedachtes omzetten in woorden. Ik schrijf wetende dat dit verhaal er niet zou komen, wanneer hij niet naast me zat.

Het schrijven zelf en dat dit verhaal inmiddels bijna af is, maakt mij – evenals mijn klant gisteren – opgelucht en blij. De teleurstelling die zij ook benoemde, voel ik veel minder, nauwelijks eigenlijk. Een liefdesrelatie van ruim anderhalf jaar met een man die mijn zorgzaamheid aanvaart en waardeert, heeft mij geholpen om ook zorgzaamheid naar mijzelf te aanvaarden en waarderen.

Vanavond leer ik nog iets over zorgzaamheid, namelijk dat zorgzaamheid zich kan tonen door enkel of vooral aanwezig te zijn. Getuige te zijn van iemands kwetsbaarheid. Misschien een keer bemoedigend te knikken of even te glimlachen, maar er bovenal gewoonweg te zijn. En misschien is het wel deze vorm van zorgzaamheid die ook ik mijn klant nog het meest bood.  

Verjaardag of geboortedag?

Vandaag is het jouw verjaardag, lieve Sofie (9) en ik zit om half acht ’s ochtends met een kop thee achter mijn laptop. Ik hoor het ruisen en tikken van de verwarmingsbuizen, maar verder is het stil in huis. Jij bent niet hier. Sterker nog, ik ben zelf ook niet in ons huis, maar in het huis van mijn lief.

Het is helemaal niet mijn bedoeling het beeld van een eenzame moeder te schetsen, dramatisch te zijn of een poging te doen tot het wekken van medelijden. De chaos die een kinderverjaardag met zich meebrengt, is nooit zo ‘mijn ding’ geweest. Voor het eerst in je leven zie ik je pas in de middag op je verjaardags-dag, hooguit een uurtje en dat vind ik – heel eerlijk – óók heerlijk rustig.

Het is natuurlijk vreemd om een ‘bezoeker’ te zijn, nu jij voor het eerst verjaart op een dag dat je bij je vader bent. Deze dag confronteert me met het gegeven dat jij en ik ook drie dagen per week niet samen zijn, terwijl je nog niet de leeftijd hebt om zelfstandig te zijn. Dat blijft onnatuurlijk voelen, ook al heb ik al bijna drie jaar gelegenheid gehad om daaraan te wennen.

Wat ik op een dag als deze opnieuw leer, is dat je niet van mij bent en ook nooit bent geweest. Mijn lichaam is voor jou de doorgang naar dit leven geweest. Ik heb dit mogen ervaren. Jouw lichaam, je gedachtes, je gevoelens, jouw ervaringen, het unieke leerproces dat jij doorloopt; als je dit alles al kunt bezitten, dan is het van jou en van niemand anders.

Laat ik mijn gevoel over vandaag ook niet ophemelen en beweren dat een dag als deze alleen maar lekker rustig en heel leerzaam is. Het nauwelijks in jouw bijzijn zijn vandaag en het grotendeels ontbreken van de feestelijkheden – de ‘naaktheid’ van vandaag – laat me gewoonweg zien wat ik en wat wellicht ook andere moeders, daadwerkelijk vieren op de verjaardag van hun kind:

Vandaag vier ik dat jij geboren bent en dat je sindsdien leeft. Het is voor mij, zoals de Engelse taal veel treffender weergeeft, veel meer je ‘birthday’ dan je verjaardag. Jouw geboortedag dus.

Een huis waar het stil is, is een prima plek om jouw geboortedag met aandacht te vieren. Wellicht ook dat ik vandaag een flinke geboortedag-wandeling maak. Dat zal me helpen om de negen jaar in mijn herinnering te overbruggen en om die intensieve, gave, pijnlijke, ontroerend mooie dag te koesteren.

Rust: moeilijk én winstgevend

Rust is moeilijk. Als dat niet zo was, had ik de sabbatical die ik sinds twee maanden houd, al veel eerder ingelast. Ook zouden we met z’n allen veel minder hard en minder lang werken. Voor de voorziening van onze behoeftes en veel van onze wensen, is hard en lang werken voor de velen van ons al lang niet meer een noodzaak.

Rust is moeilijk omdat het een verantwoordelijkheid met zich meebrengt, waarvan we gevrijwaard zijn zolang we bezig zijn. Deze verantwoordelijkheid leidt er vaak toe dat we het idee hebben bezig te moeten blijven als we rust nemen. Ook hebben we daardoor het idee dat we weer aan de slag moeten als we enige tijd in een rusttoestand verkeren. Of – en dan wordt ie helemaal mooi – we ‘kei hard moeten ontspannen’ zodra we rust nemen. Ik doel op de verantwoordelijkheid voor ons eigen welbevinden en ons eigen gemoed.

Rust is risicovol. Wanneer je rust, ben je niet actief bezig om risico’s te verkleinen. In het tijdperk waarin wij leven lopen we niet het risico dat er plotseling een wild dier voor ons staat als we even niet opletten, maar is er wel steeds het risico op tekort, met name op een tekort aan geld. De meeste mensen verdienen, als ze niet werken, geen geld. Zolang we dus werken, verdienen we geld en verkleinen we daarmee het risico op tekort.

Maar er is iets dat rust nog moeilijker maakt, dan de eigen verantwoordelijkheid voor ons welbevinden en het grotere risico op tekort. Rust is confronterend. Rust opent de mogelijkheid om te zien wat je werkelijk wil en wat oprecht belangrijk voor je is. Als je dat ziet, besef je ook dat je daaraan tot dan toe voorbij raasde.   

En toch, telkens wanneer ik rust werkelijk toeliet in mijn leven – door de neiging om bezig te blijven voor korte tijd of voor een langere periode te onderbreken – bracht me dit telkens iets: ontspanning, energie, een nieuw inzicht of idee, verbondenheid met mezelf of anderen, veerkracht en bovenal wijsheid. Een wijsheid die dan weer nooit ontstond door actief iets te doen, zoals het lezen van een boek of het volgen van een studie.

Ik zou nu een ‘zweverige’ afslag kunnen nemen. Ik zou het kunnen hebben over dat wat niet zintuigelijk te ervaren is en wat je wel en alleen maar kunt ervaren in momenten van stilte en rust. Maar ik wil rust graag uit deze hoek houden en laten zien dat rust voor velen – zo niet iedereen – winstgevend kan zijn. In deze fase van een gedeeltelijke lockdown, lopen veel mensen zowel tegen de moeilijkheid van rust, als de waarde ervan op.

Zo had ik onlangs een administratieve klus te klaren. Deze specifieke taak – het verantwoorden van mijn gewerkte uren aan het UWV – schoof ik steeds tot wel een half jaar voor me uit. Daar doe ik mezelf best wel tekort mee; ik krijg pas betaald zodra de uren zijn verantwoord. Daarnaast moest ik al verschillende keren met schaamrood op mijn kaken aan klanten en hun werkgever laten weten dat ik nog geen aanvraag voor verlenging van hun jobcoachtraject had kunnen doen, soms wel tot twee maanden na de einddatum van een traject. Het verlengen van een traject kan namelijk pas worden aangevraagd, wanneer de uren binnen het toegekende traject zijn verantwoord.

Tot twee weken geleden liep ik opnieuw gigantisch achter. Ik had sinds begin mei de uren niet verantwoord. Het klaren van deze klus, gebeurde dit keer echter verrassend anders dan voorheen. Nadat ik zo’n zes weken op weg was in mijn sabbatical was er nog evenzogoed geen ‘zin’ om de klus te volbrengen, maar er groeide wel een verlangen om me van de klus te bevrijden. Om de ruimte voor rust nog verder te vergroten, evenals ik zes weken daarvoor zaken had afgerond, gewoonweg van mijn bordje had geveegd of in de koelkast had gezet.

Het groeiende verlangen naar bevrijding van deze klus, hielp me – voor het eerst sinds ik zo’n zes jaar geleden als jobcoach in opdracht van het UWV startte – te zien dat ik aan een vorm van zelfkastijding deed: de weerstand, het gevecht met deze klus en daarmee de stress die het bij me opriep, ik liet me er op onnodig veel momenten en onnodig lang in verblijven.

Dit wilde ik niet langer!

Te meer nu er in mijn verdere leven zoveel en steeds meer rust was. Ik besloot – onder aanmoediging en met aanwijzingen van Thimothy Ferriss (in zijn boek ‘The 4-hour work week’)  – om alvorens daadwerkelijk aan de slag te gaan, eerst te bepalen hoe ik de klus in zo min mogelijk tijd en met zo min mogelijk moeite gedaan kon krijgen. Ik stond mezelf toe om daar zolang als nodig bleek over te doen en pas daadwerkelijk te beginnen als ik ervan overtuigd was dat ik de klus veel efficiënter ging aanpakken dan in de voorbije zes jaar.

Ik kwam tot een stappenplan en ik creëerde goede randvoorwaarden. Beide schrijf ik hier niet op, want ze zijn nauwelijks interessant. De kans dat het stappenplan of de randvoorwaarden ook voor jou werken of voor mijzelf bij andere ‘lastige’ klussen, is klein.

Wat in mijn ogen wél waardevol is, is het fenomeen dat ik ontdekte. Het fenomeen dat rust leidt tot meer efficiëntie én tot meer rust. Het boek wat ik las hielp me, of wel de informatie die ik tot me nam was waardevol, maar de rust die ik had was dat nog veel meer. Uiteindelijk was de rust zelfs dé doorslaggevende factor. De rust maakte namelijk dat ik naar mijn inefficiënte handelen kon kijken.

Uiteindelijk was het dus de rust die er voornamelijk voor zorgde dat ik de klus in minder dan de helft van de tijd klaarde én bovenal dat het – een weliswaar zeer moeilijk meetbare hoeveelheid – minder stress bij me opriep.

Doordat ik in rustiger vaarwater verkeerde, was er ruimte om een klus die voorheen veel stress opleverde, om te buigen naar een klus die dat veel minder deed. Als de rust en daarmee de ruimte er niet was geweest, had ik evenzogoed het boek van Ferriss kunnen lezen, maar ik had nooit de vertaling kunnen maken naar een concrete situatie als het klaren van de UWV-klus. Ik zou mijn eigen handelen gewoonweg over het hoofd hebben gezien.

De invloed van ‘de klus’ op mijn algehele rust verkleinde ook nog eens doordat er zowel minder lang als ook minder heftige stress was dan voorheen. Het gegeven dat de klus uiteindelijk geklaard was, droeg eraan bij dat mijn algehele gevoel van rust enkel toenam.

Rust is dus winstgevend. Rust biedt ruimte om met meer afstand naar je (inefficiënte) handelen of neiging tot (inefficiënt) handelen te kijken. Om te zien dat verandering van het eigen gedrag wenselijk is en om adviezen en ideeën die helpend zijn uit te proberen, te integreren, eigen te maken. De winst is meer efficiëntie en bovenal een fijner (werkend) leven.

En rust rendeert: met rust win je rust.

Mondkapjes Manie

Met de hulp van een – voor mij soms lachwekkende – video op Youtube waarin Lotte van Knipmode haar opdracht om de kijker tot een perfect resultaat helpen heel serieus neemt, knutselde ik er twee in elkaar. Ik had er plezier in om ze van een oude broek van mijzelf en een oud shirt van mijn lief te maken, maar was ook opgelucht dat ik na afloop van de zomervakantie in Frankrijk mijn eerste mondkapje weer in de kast kon leggen.

In de afgelopen weken naaide ik er echter niet alleen nog twee voor mezelf, maar ook nog eens drie voor mijn lief (die leverde maar wat graag oude shirts aan met een print dat hij nog steeds tof vond, maar het shirt zelf uit model of met slijtplekken), twee voor mijn vader en ook mijn moeder, zussen en een vriendin ontvingen een mondkapje van mijn hand.

Ergens voelde me in de afgelopen weken weer het 11-jarige kind dat ik ooit was. Tijdens het laatste jaar op de basisschool kregen mijn klasgenoten en ik de opdracht om een ‘stokpop’ te maken. Een pop die je met behulp van een stok uit een koker omhoog kon laten komen, zoals in De Efteling de kikkers bij het sprookje van de waterlelies uit het groen ziet op reizen; zichtbaar nadat ze eerst volledig verstopt waren.

Het was een omvangrijk project, waarvoor verschillende technieken – waaronder naaien – moesten worden toegepast. We werkten aantal weken, meerdere middagen per week ieder aan onze eigen stokpop. Sommige van de andere kinderen hoorde ik zuchten als onze juf aangaf dat we onze tassen met stofjes, naaigerei en andere benodigdheden weer tevoorschijn moesten halen. Anderen zag ik regelmatig vastlopen tijdens het maakproces, geen idee hebbend hoe ze verder konden gaan.

Voor mij was het erbij pakken van die ogenschijnlijk doodgewone plastic tas, het op tafel zetten en er een blik inwerpen, het moment waarop er steeds weer een wereld voor me open ging. Een wereld van mogelijkheden. Het begin van weer een stap verder komen naar het creëren van de stokpop die ik wilde maken. Als ik door de stofjes ging die ik had verzameld, wenste ik dat we nog veel meer mochten maken dan alleen die stokpop en dat ik later dozen vol stofjes zou hebben om alles zelf te kunnen maken wat ik wilde.

Ik dacht destijds niet na over wat ik allemaal nog meer kon doen in de tijd dat ik aan de stokpop werkte. Ik dacht al helemaal niet na over de waarde uitgedrukt in geld, dat ik met het maken van de stokpop creëerde of misliep.

Dit gebeurde wel met het naaien van de mondkapjes. Regelmatig dacht ik: zou ik niet beter iets zinnigers gaan doen? Of: herbruikbare mondkapjes zijn voor het luttele bedrag van vijf euro te koop, waar ben ik mee bezig?

Tijdens het werken aan de stokpop genoot ik gewoonweg van de ideeën die ik kreeg, de stappen die ik zette en het eindresultaat dat steeds dichterbij kwam. Ik heb het zolang ik het me kan herinneren heel fijn gevonden om ‘iets uit mijn handen te laten ontstaan’. Tijdens mijn studietijd raakte dat even in verval, maar tijdens de afstudeerstage van mijn tweede studie herontdekte ik de waarde ervan, als tegenhanger van het veel ‘met mijn hoofd’ bezig zijn op zowel binnen mijn afstudeerstage als tijdens het schrijven van mijn masterthesis.

Toch ging het naaien van de mondkapjes gepaard met regelmatige twijfel. Ik was het me alleen nauwelijks bewust. Het was als een brommend achtergrondgeluid dat je pas gewaar wordt zodra het stopt. Ik werd me van mijn twijfel bewust toen een vriendin me vertelde over hoe lastig ze het soms vindt om de tijd die ze besteed aan uitgebreid koken of lang voorlezen aan haar kinderen, te waarderen. Ze vertelde ook dat het haar al wel beter lukt nu ze niet langer werkzaam is in de commerciële sector, maar als freelancer binnen de sociale sector werkt.  

Dat er een ontwikkeling in haar beleving en waardering van haar activiteiten was doordat haar inkomstenbron wijzigde, was voor mij als het achtergrondgeluid dat plotseling stopt. Het deed mij inzien dat geld – of beter gezegd: mijn beeld van geld – mij in de weg zat om eenzelfde mate van waardering te hebben voor het naaien van de mondkapjes, als het maken van de stokpop zo’n 28 jaar geleden.

En nu? Ik heb nog geen idee, maar één ding weet ik wel: het is pure manie.

Mondkapjes manie.

Niet langer alle dagen druk

Ik heb een ontzettende hekel aan het gevoel het ‘druk’ te hebben. Aan ‘te druk’ nog veel meer. Dat idee dat er te weinig tijd is voor dat wat ik nog te doen heb, vind ik vreselijk. Dat wat ik te doen zet ik dan af tegen de kloktijd die er nog ‘over’ is om de taak te volbrengen. Ik voel me vervolgens opgejaagd en rusteloos. Niet alleen bij een gevoel van tijdstekort, maar ook bij een gevoel van bijvoorbeeld verveling wordt mijn beleving bepaalt, zo niet geregeerd, door de kloktijd. Logisch dat de klok de tijd aangeeft, of toch niet?

Het klopt dat een centrale en universeel geaccepteerde tijdsaanduiding een middel is dat met name in contact met elkaar nuttig is. Zo verschijnen we bijvoorbeeld (ongeveer) tegelijkertijd op een afgesproken plaats. Maar hoe vaak hoor ik niet van mijn cliënten dat zij een geheel andere tijdservaring hebben dan de klok aangeeft? Dat de tijd voorbij lijkt te kruipen op dodelijk saaie momenten en voorbij vliegt in momenten van flow.

Ook mijn eigen tijdsbeleving varieert enorm. Wat me regelmatig overkomt bij hele verschillende activiteiten is dat ik daar in alle rust aan begin. Na verloop van tijd besef ik dat er al een grote hoeveelheid tijd die ik eraan kon of wilde besteden is verstreken. Dan schakel ik om en boek ik in een fractie van de tijd die daarvoor is verstreken, meer resultaat.

Niks mis mee, zou je denken. Alleen wordt de ‘gespendeerde tijd’ in de periode dat ik rustig aan deed in mijn gedachtes, als minder goed gekwalificeerd dan de tijd waarin ik verhoudingsgewijs veel meer resultaat boekte. Ik denk dan bijvoorbeeld: nu heb ik weer eerst twee uur lopen lummelen voordat ik het laatste kwartier werkelijk op gang kwam. Ik vermoed dat de kwalificatie die ik geef aan dat waar ik mijn aandacht op richt gedurende een bepaalde periode, heel bepalende is voor mijn geluksbeleving, voor of ik me tevreden voel en senang. Ook vermoed ik dat wanneer ik mijn innerlijke beleving van tijd in plaats van de kloktijd meer als leidend neem, ik veel minder of zelfs niet zal oordelen over wat ik heb ondernomen of wellicht ook af heb gekregen. Zodra mijn innerlijke beleving van tijd leidend is – overigens zonder de kloktijd en de maatschappelijke en sociale functie die deze heeft volledig buiten de deur te zetten – valt het oordeel vermoedelijk weg.

Mijn cliënten vertellen me over enorme pieken en dalen in hun effectiviteit. Dat ze de ene dag of het ene moment, heel veel gedaan krijgen en dat er vervolgens uren of dagen, soms wel weken geen garen op de klos komt. Ik denk dat ook zij belemmerd worden door niet alleen het oordeel dat ze zelf vellen over dat wat ze (niet) doen of creëren, maar vooral ook omdat het afgezet wordt tegen de voorbij (klok)tijd.

Afgelopen maand heb ik 19 dagen achtereen niet gewerkt en daarbinnen ben ik twee keer een week op vakantie geweest. De eerste vakantie – nadat ik nog een enorme ratrace liep in de twee dagen voordat we vertrokken – vond plaats aan de middellandse kust en in de Franse Alpen. Ik was samen met mijn geliefde, we waren weer ‘gewoon’ in het buitenland, het was heerlijk weer en voeren met onze kajak op de zee (en werden teruggehaald door de kustwacht) en op een azuurblauw meer. Dit en meer maakten de vakantie heel fijn. Toch kwam ik pas tijdens de tweede vakantieweek echt tot rust. Tussen de twee vakantieweken in was ik twee nachten thuis om vervolgens – nu ook samen met mijn dochters Sofie en Liesje – op een camping 20 kilometer van ons huis neer te strijken.

Daar zonk ik na enkele dagen in mijn eigen innerlijke tijd. Misschien wel juist omdat mijn activiteiten en mogelijkheden redelijk beperkt waren. Ik kon weinig anders dan lezen, schrijven, aanrommelen, gitaar spelen, voor het eten zorgen, wandelen en zwemmen, doordat ik – hoewel ik de twee dames nauwelijks zag of sprak – wel beschikbaar moest blijven voor de 6- en 8-jarige met wie ik ook op vakantie was. Na enkele dagen gaf niet langer het uur van de dag, maar gaven onze magen aan wanneer we gingen eten, bepaalde de vermoeidheid hoe laat we gingen slapen en weer op stonden, onze bewegingsdrang wanneer we gingen wandelen of zwemmen en onze inspiratie wanneer we iets maakten of creëerden.

Hoewel ik op de laatste vakantie mijn innerlijke tijdbeleving sterk ervoer, kan ik deze maar moeilijk beschrijven. Misschien ook is het helemaal geen tijdbeleving, maar is het juist veel meer het ervaren van het moment, het ‘nu’.Ik droeg al nauwelijks een horloge en zowel bij mij thuis, als op kantoor is geen klok te vinden. Toch is de kloktijd veel duidelijker aanwezig nu ik weer thuis en op kantoor ben. Ik voel hiertegen niet alleen weerstand en verzet, ik voel ook dat er zowel voor mijzelf, als voor mijn cliënten veel meer rust, helderheid, plezier en voldoening kan zijn naarmate we de kloktijd meer loslaten en de innerlijke tijd meer omarmen.

Goeie gewoonte

Tijdens onze vakantie in Zuid-Frankrijk deze zomer, ontstond het idee om ook thuis ’s middags ‘echt’ te eten. Daarmee bedoel ik een werkelijke maaltijd. Iets dat, zeg maar, bereid is. Met groenten en zo. Je weet wel, dat wat dus in Mediterrane landen heel gewoon is.

Om precies te zijn ontstond dit idee op een camping in de Franse Alpen. Zittend op een kleedje voor het ieniemienie tentje waarin we overnachtten, bereidden we een lunch op twee pitjes. Nadat we de eerste twee happen ervan aten, stond onze Franse buurvrouw met twee gekoelde biertjes, een opener en een vragend gezicht bij ons. We knikten gretig ‘ja’, want een koud drankje hadden we überhaupt in geen dagen gehad. Toen het koude bier zich vermengde met het eten, concludeerden we dit toch wel het goede leven was en dat we dit vaker moesten doen.

Thuisgekomen lukte het zo nu en dan om ’s middags werkelijk te eten. Zo nu en dan zelfs met een glaasje wijn erbij. Zo ongeveer de helft van de dagen bestond mijn middageten uit iets anders dan een belegde boterham. Het werd me in de eerste weken na thuiskomst van de vakantie, duidelijk dat als ik deze gewoonte helemaal wilde doorvoeren, ik een flinke tijdsinvestering moest gaan doen. Dat dagelijks een extra maaltijd bereiden heel wat meer aandacht vraagt, dan dat het smeren van twee boterhammen.

Met deze halve verandering, drong zich echter al wel een besef bij me op. Het besef dat mijn dagelijkse energie-inname voor een groot deel bestond uit koolhydraten en dat ik mijn leven lang al veel brood at. Ook realiseerde ik me dat ik dit niet alleen als doodnormaal beschouwde, maar zelfs als gezond (want ik at toch nagenoeg altijd volkoren brood?). Op één van de dagen dat dit besef tot me doordrong, liep ik in de bieb. Ik hoefde echt alleen maar een motortheorieboek voor mijn lief te halen en het was echt niet nodig dat ik wéér in de rij belandde waar de psychologie, filosofie en voedingsboeken zich bevinden, maar dat gebeurde toch en aldaar sprong het boek ‘broodbuik’ me in het oog.

Ik gooide het gauw – samen met nog twee andere boeken en voordat ik nog meer kon mee grissen – in mijn mandje en liep met vlotte tred naar de plek waar ik me de lener kon worden van de boeken die ik tijdens mijn bliksembezoek had weten te verzamelen. Nog diezelfde dag las ik de in mijn ogen belangrijkste delen en viel mijn besluit: geen graan meer voor mij. Alle door de auteur – tevens cardioloog – genoemde gezondheidsvoordelen (waaronder het vooruitzicht dat ik nu eindelijk eens van mijn (brood)buikje af zou komen), overtuigden me ervan dat het een goede poging waard was om een graanvrij bestaan op te bouwen.  

Inmiddels leef ik al bijna een maand zonder graan. Mijn lief doet hier gewillig aan mee, want die wilde en wil veel minder koolhydraten en veel meer eiwitten in zijn voeding. Hij maakte in de afgelopen maand de hamburgers die we heel graag eten met ‘broodjes’ van kropsla, ik maakte pizzadeeg van amandelmeel, ei, roomkaas en mozzarella. Bovenal ontdekten we nieuwe gerechten en aten we gewoonweg lekker heel veel groenten. Zo bestond onze maaltijd van gisteravond uit gevulde courgettes, peulen, gegrilde groenten, salade met voor hem kip en voor mij een kaasburger.  

En zo zou ik dit verhaaltje ook kunnen afronden, met een ‘eind goed al goed’ uitleiding. Even concluderen dat een graanvrij eetpatroon alleen maar voordelen heeft – want die zijn er naast de afname van de omvang van je buik werkelijk heel wat. Zo heb ik haast geen honger meer en is het ‘graven’ naar voedsel echt verleden tijd en mijn huid er veel glanzender en gezonder uit – en dat vinden van nieuwe gerechten of het aanpassen van bestaande iets is dat we maar wat graag doen en waar we maar al te graag tijd voor maken.

Maar dat is niet de realiteit. Wat waar is, is dat ik me na een maand niet meer afvraag of ik het me toch niet gewoon makkelijk zal maken en een boterham zal smeren, dat ik niet meer overweeg om een croissantje te halen bij de bakker waaraan ik voorbij loop, of toch even snel een broodje zal smeren voor onderweg. Wat ook waar is, is dat haast iedere dag opnieuw voor deze gewoonte moet kiezen. Ja, ik ga ook vandaag weer nadenken wat ik vanmiddag én vanavond eet. Ja, ik zoek naar recepten om – ik noem maar wat – graanvrij lasagnebladen of nachochips te maken. Ja, ik ga haast iedere dag naar de supermarkt. En ja, ik kies er weer voor om meer dan de dubbele hoeveelheid tijd en veel meer geld dan voorheen te investeren in mijn voeding.

Maar juist dat dit een gewoonte is waarvoor ik nog steeds en voorlopig waarschijnlijk nog wel even iedere dag weer kies, maakt dat ik er bewust voor kies. En juist dat, geeft een vorm van voldoening die een onbewuste gewoonte niet biedt.