Niet langer alle dagen druk

Ik heb een ontzettende hekel aan het gevoel het ‘druk’ te hebben. Aan ‘te druk’ nog veel meer. Dat idee dat er te weinig tijd is voor dat wat ik nog te doen heb, vind ik vreselijk. Dat wat ik te doen zet ik dan af tegen de kloktijd die er nog ‘over’ is om de taak te volbrengen. Ik voel me vervolgens opgejaagd en rusteloos. Niet alleen bij een gevoel van tijdstekort, maar ook bij een gevoel van bijvoorbeeld verveling wordt mijn beleving bepaalt, zo niet geregeerd, door de kloktijd. Logisch dat de klok de tijd aangeeft, of toch niet?

Het klopt dat een centrale en universeel geaccepteerde tijdsaanduiding een middel is dat met name in contact met elkaar nuttig is. Zo verschijnen we bijvoorbeeld (ongeveer) tegelijkertijd op een afgesproken plaats. Maar hoe vaak hoor ik niet van mijn cliënten dat zij een geheel andere tijdservaring hebben dan de klok aangeeft? Dat de tijd voorbij lijkt te kruipen op dodelijk saaie momenten en voorbij vliegt in momenten van flow.

Ook mijn eigen tijdsbeleving varieert enorm. Wat me regelmatig overkomt bij hele verschillende activiteiten is dat ik daar in alle rust aan begin. Na verloop van tijd besef ik dat er al een grote hoeveelheid tijd die ik eraan kon of wilde besteden is verstreken. Dan schakel ik om en boek ik in een fractie van de tijd die daarvoor is verstreken, meer resultaat.

Niks mis mee, zou je denken. Alleen wordt de ‘gespendeerde tijd’ in de periode dat ik rustig aan deed in mijn gedachtes, als minder goed gekwalificeerd dan de tijd waarin ik verhoudingsgewijs veel meer resultaat boekte. Ik denk dan bijvoorbeeld: nu heb ik weer eerst twee uur lopen lummelen voordat ik het laatste kwartier werkelijk op gang kwam. Ik vermoed dat de kwalificatie die ik geef aan dat waar ik mijn aandacht op richt gedurende een bepaalde periode, heel bepalende is voor mijn geluksbeleving, voor of ik me tevreden voel en senang. Ook vermoed ik dat wanneer ik mijn innerlijke beleving van tijd in plaats van de kloktijd meer als leidend neem, ik veel minder of zelfs niet zal oordelen over wat ik heb ondernomen of wellicht ook af heb gekregen. Zodra mijn innerlijke beleving van tijd leidend is – overigens zonder de kloktijd en de maatschappelijke en sociale functie die deze heeft volledig buiten de deur te zetten – valt het oordeel vermoedelijk weg.

Mijn cliënten vertellen me over enorme pieken en dalen in hun effectiviteit. Dat ze de ene dag of het ene moment, heel veel gedaan krijgen en dat er vervolgens uren of dagen, soms wel weken geen garen op de klos komt. Ik denk dat ook zij belemmerd worden door niet alleen het oordeel dat ze zelf vellen over dat wat ze (niet) doen of creëren, maar vooral ook omdat het afgezet wordt tegen de voorbij (klok)tijd.

Afgelopen maand heb ik 19 dagen achtereen niet gewerkt en daarbinnen ben ik twee keer een week op vakantie geweest. De eerste vakantie – nadat ik nog een enorme ratrace liep in de twee dagen voordat we vertrokken – vond plaats aan de middellandse kust en in de Franse Alpen. Ik was samen met mijn geliefde, we waren weer ‘gewoon’ in het buitenland, het was heerlijk weer en voeren met onze kajak op de zee (en werden teruggehaald door de kustwacht) en op een azuurblauw meer. Dit en meer maakten de vakantie heel fijn. Toch kwam ik pas tijdens de tweede vakantieweek echt tot rust. Tussen de twee vakantieweken in was ik twee nachten thuis om vervolgens – nu ook samen met mijn dochters Sofie en Liesje – op een camping 20 kilometer van ons huis neer te strijken.

Daar zonk ik na enkele dagen in mijn eigen innerlijke tijd. Misschien wel juist omdat mijn activiteiten en mogelijkheden redelijk beperkt waren. Ik kon weinig anders dan lezen, schrijven, aanrommelen, gitaar spelen, voor het eten zorgen, wandelen en zwemmen, doordat ik – hoewel ik de twee dames nauwelijks zag of sprak – wel beschikbaar moest blijven voor de 6- en 8-jarige met wie ik ook op vakantie was. Na enkele dagen gaf niet langer het uur van de dag, maar gaven onze magen aan wanneer we gingen eten, bepaalde de vermoeidheid hoe laat we gingen slapen en weer op stonden, onze bewegingsdrang wanneer we gingen wandelen of zwemmen en onze inspiratie wanneer we iets maakten of creëerden.

Hoewel ik op de laatste vakantie mijn innerlijke tijdbeleving sterk ervoer, kan ik deze maar moeilijk beschrijven. Misschien ook is het helemaal geen tijdbeleving, maar is het juist veel meer het ervaren van het moment, het ‘nu’.Ik droeg al nauwelijks een horloge en zowel bij mij thuis, als op kantoor is geen klok te vinden. Toch is de kloktijd veel duidelijker aanwezig nu ik weer thuis en op kantoor ben. Ik voel hiertegen niet alleen weerstand en verzet, ik voel ook dat er zowel voor mijzelf, als voor mijn cliënten veel meer rust, helderheid, plezier en voldoening kan zijn naarmate we de kloktijd meer loslaten en de innerlijke tijd meer omarmen.

Goeie gewoonte

Tijdens onze vakantie in Zuid-Frankrijk deze zomer, ontstond het idee om ook thuis ’s middags ‘echt’ te eten. Daarmee bedoel ik een werkelijke maaltijd. Iets dat, zeg maar, bereid is. Met groenten en zo. Je weet wel, dat wat dus in Mediterrane landen heel gewoon is.

Om precies te zijn ontstond dit idee op een camping in de Franse Alpen. Zittend op een kleedje voor het ieniemienie tentje waarin we overnachtten, bereidden we een lunch op twee pitjes. Nadat we de eerste twee happen ervan aten, stond onze Franse buurvrouw met twee gekoelde biertjes, een opener en een vragend gezicht bij ons. We knikten gretig ‘ja’, want een koud drankje hadden we überhaupt in geen dagen gehad. Toen het koude bier zich vermengde met het eten, concludeerden we dit toch wel het goede leven was en dat we dit vaker moesten doen.

Thuisgekomen lukte het zo nu en dan om ’s middags werkelijk te eten. Zo nu en dan zelfs met een glaasje wijn erbij. Zo ongeveer de helft van de dagen bestond mijn middageten uit iets anders dan een belegde boterham. Het werd me in de eerste weken na thuiskomst van de vakantie, duidelijk dat als ik deze gewoonte helemaal wilde doorvoeren, ik een flinke tijdsinvestering moest gaan doen. Dat dagelijks een extra maaltijd bereiden heel wat meer aandacht vraagt, dan dat het smeren van twee boterhammen.

Met deze halve verandering, drong zich echter al wel een besef bij me op. Het besef dat mijn dagelijkse energie-inname voor een groot deel bestond uit koolhydraten en dat ik mijn leven lang al veel brood at. Ook realiseerde ik me dat ik dit niet alleen als doodnormaal beschouwde, maar zelfs als gezond (want ik at toch nagenoeg altijd volkoren brood?). Op één van de dagen dat dit besef tot me doordrong, liep ik in de bieb. Ik hoefde echt alleen maar een motortheorieboek voor mijn lief te halen en het was echt niet nodig dat ik wéér in de rij belandde waar de psychologie, filosofie en voedingsboeken zich bevinden, maar dat gebeurde toch en aldaar sprong het boek ‘broodbuik’ me in het oog.

Ik gooide het gauw – samen met nog twee andere boeken en voordat ik nog meer kon mee grissen – in mijn mandje en liep met vlotte tred naar de plek waar ik me de lener kon worden van de boeken die ik tijdens mijn bliksembezoek had weten te verzamelen. Nog diezelfde dag las ik de in mijn ogen belangrijkste delen en viel mijn besluit: geen graan meer voor mij. Alle door de auteur – tevens cardioloog – genoemde gezondheidsvoordelen (waaronder het vooruitzicht dat ik nu eindelijk eens van mijn (brood)buikje af zou komen), overtuigden me ervan dat het een goede poging waard was om een graanvrij bestaan op te bouwen.  

Inmiddels leef ik al bijna een maand zonder graan. Mijn lief doet hier gewillig aan mee, want die wilde en wil veel minder koolhydraten en veel meer eiwitten in zijn voeding. Hij maakte in de afgelopen maand de hamburgers die we heel graag eten met ‘broodjes’ van kropsla, ik maakte pizzadeeg van amandelmeel, ei, roomkaas en mozzarella. Bovenal ontdekten we nieuwe gerechten en aten we gewoonweg lekker heel veel groenten. Zo bestond onze maaltijd van gisteravond uit gevulde courgettes, peulen, gegrilde groenten, salade met voor hem kip en voor mij een kaasburger.  

En zo zou ik dit verhaaltje ook kunnen afronden, met een ‘eind goed al goed’ uitleiding. Even concluderen dat een graanvrij eetpatroon alleen maar voordelen heeft – want die zijn er naast de afname van de omvang van je buik werkelijk heel wat. Zo heb ik haast geen honger meer en is het ‘graven’ naar voedsel echt verleden tijd en mijn huid er veel glanzender en gezonder uit – en dat vinden van nieuwe gerechten of het aanpassen van bestaande iets is dat we maar wat graag doen en waar we maar al te graag tijd voor maken.

Maar dat is niet de realiteit. Wat waar is, is dat ik me na een maand niet meer afvraag of ik het me toch niet gewoon makkelijk zal maken en een boterham zal smeren, dat ik niet meer overweeg om een croissantje te halen bij de bakker waaraan ik voorbij loop, of toch even snel een broodje zal smeren voor onderweg. Wat ook waar is, is dat haast iedere dag opnieuw voor deze gewoonte moet kiezen. Ja, ik ga ook vandaag weer nadenken wat ik vanmiddag én vanavond eet. Ja, ik zoek naar recepten om – ik noem maar wat – graanvrij lasagnebladen of nachochips te maken. Ja, ik ga haast iedere dag naar de supermarkt. En ja, ik kies er weer voor om meer dan de dubbele hoeveelheid tijd en veel meer geld dan voorheen te investeren in mijn voeding.

Maar juist dat dit een gewoonte is waarvoor ik nog steeds en voorlopig waarschijnlijk nog wel even iedere dag weer kies, maakt dat ik er bewust voor kies. En juist dat, geeft een vorm van voldoening die een onbewuste gewoonte niet biedt.

Afleiding versus afstand

Het schooljaar is sinds een week begonnen en Rozemarijn (21, ADD) heeft al enkele lessen gemist; ze had zich verslapen of ze was de les gewoonweg vergeten. Meestal was er nog wel gelegenheid om een deel van de les bij te wonen, maar dat deed ze dan uit schaamte niet.

Als ik Rozemarijn vraag hoe zij zich erover voelt om weer aan haar studie te beginnen – ze start voor de tweede keer als eerstejaars – geeft ze aan zich gemotiveerd én overweldigd te voelen. Dit laatste kan ik plaatsen: ze is al eerder aan een andere studie begonnen, het voorgezet onderwijs ging voor haar ook niet van een leien dakje en nu start ze dus voor de tweede keer in het eerste jaar.

We zoomen in op het gevoel van overweldigd zijn en ontdekken dat het haar niet alleen aanzet tot uitstelgedrag, maar dat het haar zo goed als verlamd. Ze wordt zó in beslag genomen door haar gevoel, dat er nog maar één oplossing is:

afleiding zoeken.

Als jonge vrouw met ADD is zij hier meester in; er is altijd wel iets wat interessanter, urgenter of plezieriger is dan zich aan haar studie te wijten.

Samen maken we een lijstje van dingen die zij kan doen, niet als afleiding, maar wat haar kan helpen tot rust te komen en afstand te nemen van haar heftige gevoelens. We komen tot de volgende mogelijkheden: wandelen, serie kijken, schilderen, tekenen, lezen en rommelen.

Aan de eerste drie opties, blijkt een sterke ‘maar’ vast te zitten. Wandelen doet haar goed, maar kan niet in de nabije omgeving van haar huis. Serie kijken is fijn en ontspannend, maar wordt al snel afleiding in plaats van ontspanning en is daarmee moeilijk te onderbreken. Schilderen vraagt wat meer om eraan te beginnen en omdat het een grootse activiteit is, kan dat ook moeilijk onderbroken worden. De andere opties lijken heel geschikt: ze liggen binnen handbereik en ze kan ze ook weer makkelijk naast zich neerleggen.

En dan komt het moeilijkste onderdeel van de opdracht die ik haar geef: vertrouwen. Ik vraag haar om erin te vertrouwen dat wanneer zij zichzelf werkelijk permissie geeft om iets te doen dat haar ontspant, wat rust en afstand biedt, dat zij op een zeker moment zal denken: laat ik tóch maar even uitzoeken hoe laat de les begint, of: mwah, ik kan best mijn wekker morgenvroeg wat eerder zetten, of: laat ik nu maar even een appje sturen naar één van mijn medestudenten van mijn projectgroep, of: laat ik mijn studieboek eens openen en de eerste pagina’s.

Ik wéét dat het zo werkt. Dat wanneer je er oprecht oké mee bent dat je iets ‘voor jezelf’ doet, er ruimte ontstaat om ook je studie voor jezelf te doen. Het is zelfs zo dat hoe meer je er oké mee bent dat je iets voor jezelf doet, dat je de tijd aan jezelf geeft, des te gemakkelijker en eerder je ‘verplichtingen’ ook als iets voor jezelf gaat zien. Tenzij natuurlijk blijkt dat je je aan iets hebt gecommitteerd dat niet bij je past (in het geval van Rozemarijn dat ze niet de juiste studiekeuze heeft gemaakt, maar je kunt ook denken aan werk, een partner of een vriendschap).

Je hebt alleen ruimte nodig om weer te kunnen zien dat het iets is wat je zelf wilt en dat je door opgedane ervaringen de hordes die je te nemen hebt binnen het commitment dat je bent aangegaan, bent gaan zien als onbeklimbare bergen. Als er ruimte en afstand is, als er weer intrinsieke motivatie is, dan zie je de eerst volgende stap of stappen die je kunt nemen en is de zin om dat te doen er ook.